|
| |
Van den Berghe: 20-12-2001, aanvullingen en verbeteringen 03-10-2002
Het artikel van dhr. De Koning in Gens Nostra 1995 was een voorzichtige poging om in navolging van Zondervan, met een gidsnaam enkele familierelaties te reconstrueren. Wie het bestudeert zal opmerken dat De Koning uitgaande van de hem bekende informatie een en ander probeert te rangschikken in een zinvoller genealogisch plaatje. Heel verstandig spreekt hij in zijn poging (eigen woorden) van mogelijkheden. Duidelijk is ook het door hem gestelde in de laatste paar regels. Daarmee lijkt de mogelijkheid dat er een alliantie Van de Lede - Van Heusden zou hebben bestaan, uitgesloten.
Literatuur:
T.J. De Koning, Wie was de vrouw van Herbaren van den Berghe?, in Gens Nostra .50 (1995), 293-298.
De opbouw van de stamboom van de Van Arkels en afstammende geslachten heeft in de vorige eeuw veel belangstelling getrokken. Vanaf eind jaren ’30 werd het onderzoek door een discussie tussen enkele speurders in een stroomversnelling getrokken. De jaren ’40-’60 leverde daarna nog tal van bijdragen die de afzonderlijke takken beter in kaart brachten. Nadien werd het onderzoek rustiger en de productie minder. Wel werd er aandacht gegeven aan details, achtergronden en aan het oppoetsen van de stamboom. Alles bij elkaar een dik dossier aan artikelen uit de NL, Gens Nostra en publicaties elders. Dat ik alles heb gezien wil ik niet stellen maar ik heb wel alles kritisch bekeken.
Het artikel van De Koning is prima maar hij kwam tot verkeerde conclusies omdat de informatie over enkele personen onvoldoende bekend of nagetrokken was en omdat in een ver verleden een genealogische fout nooit is hersteld waarna deze fout in tig navolgende artikelen is nageschreven en grotere proporties heeft aangenomen. Daardoor zijn enkele personen op een verkeerde generatieplaats in de stamboom komen te staan. Ook dhr. Waale heeft zijn ogen dicht gehad zijn meest recente bijdrage over de Van Arkels. Vreemd is ook dat De Koning een dochter die bij een onbekende Floris voor de tweede tak Van Liesveld zorgde, over het hoofd heeft gezien.
Literatuur:.
W.J. Groesbeek, Van Liesveld, in De Nederlandsche Leeuw 69 (1952) 274-286.
P.G.F. Vermast, Van Liesveld, in De Nederlandsche Leeuw 71 (1954) 371-379.
W.J. Groesbeek, Nogmaals van Liesveld, in De Nederlandsche Leeuw 72 (1955) 19-25.
M.J. Waale, Nogmaals een bijdrage tot de genealogie van het middeleeuwse adellijke geslacht Van Arkel, in De Nederlandsche Leeuw 117 (2000), 4-33.
Als genealogisch ijkpunt voor de rest van het betoog wil ik allereerst enkele personen en hun geschatte huwelijksdatum noemen. Het betreft de hoofdtak van de Van Arkels: Herbaren van de Lede x ca. 1210; Jan I van Arkel x ca. 1240; Jan II van Arkel x ca. 1265/70; Jan III x ca. 1295; broer Herbaren x ca.1295. Het waarom zal in het verloop van het betoog duidelijk worden. De jongere broers van deze heren zullen nagenoeg meestal wel later als hun oudste broer gehuwd zijn. Ook hun nageslacht zal derhalve meestal wel iets later huwen dan dat van de hoofdtak.
Normaal gesproken hanteert men een generatieduur of generatiebreedte van 30 jaar of drie generaties per eeuw. Zelf vind ik een bijstelling naar onderen van 25/30 jaar voor een oudste zoon die overduidelijk vernoemd is naar zijn vaderlijke grootvader. Dat in de Middeleeuwen kinderen vernoemd werden volgens weliswaar ongeschreven maar wel vaste gewoonten hebben diverse auteurs al aangekaart. Bij die gevallen waarbij de opvolger een afwijkende voornaam draagt zie ik in die gevallen een geval van een jongere zoon die door vooroverlijden van de ‘rechtmatige’ naamdrager de oudste zoon is geworden. In die gevallen en in gevallen van duidelijk jongere zoons wil ik uitgaan van een normale benadering van (minimaal) 30 jaar. Een generatieduur van 30 jaar is echter geen wet van Meden en Perzen maar slechts een richtlijn, een vuistregel bij het nader dateren van personen en generaties. Er zullen natuurlijk altijd gevallen blijven waarbij een andere verklaring of generatiebreedte gehanteerd moet worden. Die gevallen zullen dan nader beargumenteerd worden.
Hoewel meisjes met hun 12e al uitgehuwelijkt konden worden zullen ze gemiddeld pas rond hun 15e voortplantingscapabel zijn geweest, hoeft derhalve voor hen in de meeste gevallen geen generatieduur van 30 jaar te worden gehanteerd. Een generatieduur van 20 jaar lijkt meer op z’n plaats. Zo is er een generatieschakel bekend: hertog Hendrik I van Brabant x (2) 1213 Maria van Frankrijk: oudste dochter Elisabeth x 1233 Dirk van Kleef: oudste dochter Mechtild x 1253 Gerard van Durbuy; oudste dochter Irmgard x 1272 Gerard van Blankenheim. Hoewel er ook korte generatieschakels zijn: Jutta van Borselen x 1271 Hendrik van der Leck; dochter Agnes x ca. 1285 Arnold van der Sluis; dochter Jutta x ca. 1300 Wolter van Keppel, lijkt me dit wellicht ingegeven door een gebruik dat van familie tot familie kan verschillen. Bij voorbaat sluit ik dit niet uit maar in het algemeen lijkt me een vrouwelijke generatieduur van 20 jaar als richtlijn beter werkbaar dan de bekende generatieduur van 30 jaar of drie generaties per eeuw. Ook hier is hetzelfde van toepassing als boven besproken bij de zonen. Afwijkende gevallen zullen nader beargumenteerd worden.
Literatuur:
Hans Vogels, De Van Horne’s, aanvullingen en alternatieven, in ’t Gruun Buukske 25 (1996), 50-68.
Hans Vogels, De oudste Heren van Heeze, Leende en Zesgehuchten, Sterksel, Mierlo, en Geldrop (1100-1300). Een genealogische reconstructie, in Heemkronyk 37 (1998), nr. 1-3.
Hans Vogels, Mierlo, zijn oudste heren en hun familie (c.1100-1335) een genealogische en historische reconstructie. Themanummer d’n Myerlese Koerier 13 (1999) nr.2, 1-120.
In 1949 en 1950 behandelde dhr. P. Vermast de Heeren van Goye. In zijn hoofdstuk over de Heren van Langerak wordt duidelijk gemaakt dat heer Herbaren van den Berghe en heer Wouter van Langerak samen Nieuwpoort hebben gesticht en daarover halfheer waren. Dit echter wel als een leen van Arkel en achterleen van Holland. Een generatie later in 1283 wordt dit gegeven herdacht door Arnold van Liesvelt en Gijsbert van Langerak. Herbaren en Wouter worden voorouders genoemd van de laatstgenoemden. Ook wordt beschreven dat Wouter van Langerak met een Van Arkel dochter moet zijn gehuwd en dat de gebieden Langerak-Noord en bezit in Kabau oorspronkelijk Van de Lede en Arkel-territorium moet zijn geweest. Vermast komt in zijn argumentatie uit op de conclusie dat Wouter een schoonzoon van Herbaren moet zijn geweest. Hij plaatst het geboortejaar van heer Jan I van Arkel en diens broer heer Herbaren van den Berghe in de periode 1200-1210 en Wouter van Langerak één generatie jonger omstreeks 1225-1230 (Vermast 1950 172).
En hier is dan een wezenlijke fout gemaakt!
Aangezien Jan I van Arkel uiterlijk pas rond 1240 huwde zal diens jongere broer in de jaren ’40 niet over al bijna huwbare kinderen hebben kunnen beschikken. Dit strookt totaal niet met de kennis die we beschikken over de oudste generaties. Heer Herbaren van den Berghe was gezien de huwelijksdateringen van zijn nageslacht zelf pas medio jaren ’40 gehuwd. Derhalve moet Wouter van Langerak met een zus van Herbaren van den Berghe zijn gehuwd. Men hoeft slechts de nazaten van beiden en hun geschatte huwelijksdateringen te checken. Herbaren en Wouter zijn generatiegenoten en hun beider kinderen idem dito. De beide zwagers hebben samen Nieuwpoort gesticht en derhalve worden hun beider nazaten als halfheer van Nieuwpoort betiteld.
Literatuur:
P.G.F. Vermast, De Heeren van Goye, in De Nederlandsche Leeuw: 66 (1949) 259-313, 330-410, 419-435; 67 (1950) 165-177, 194-229, 236-251.
Deze nazaten komen we ook op een ander moment in een ruimer verband weer tegen. In 1969 schreef dhr. C. Hoek over De oudste heren van Rhoon. Vermoedelijk tussen 1300 en 1304 kwam een Jan van Boenswart door toedoen van mensen uit Schoonhoven aan een voortijdig einde. Er werd toen rond 1315 een verzoening tot stand gebracht waaruit blijkt wie toen de verwanten van deze Jan waren: heer Herbaren van Riede namens zijn zuster; de kinderen Van Langerak; Herbaren van den Berghe; Godschalk van der Merwede en hun magen. Op basis van hem bekende gegevens schetst Hoek dan ook in een schema hoe deze erfgenamen nakomelingen van heer Herbaren van den Berghe moeten zijn. In de vorige alinea is echter duidelijk gemaakt dat de Van Langeraks afstammen van een zus van heer Herbaren. Bezien we de Van Merwede-zijtak nader op een tijdsbalk dan wordt duidelijk dat Mabelia van Arkel, weduwe van Godschalk van Merwede en van heer Gijsbert uten Goye, ook een zus van heer Herbaren van den Berghe moet zijn geweest. In 1277 komen we een Herbaren van der Merwede tegen als schildknaap en in 1284 als voogd over Daniel IV van der Merwede. Gezien zijn voornaam en het huwelijk Merwede-Arkel kan hij niet anders dan een zoon van Mabelia zijn. In 1288 komen we haar tegen met haar zoons Jan en Daniel. Haar zoon Jan was in 1277 al gehuwd. Deze Jan is dan hoogstwaa-schijnlijk de oudste in leven gebleven zoon. Vader Godschalk van der Merwede zelf moet hoogstwaarschijnlijk een zoon van een Daniel moet zijn geweest, zodat een jong overleden zoon met naam Daniel mag worden verondersteld. De zoon Herbaren van der Merwede komen we na 1284 niet meer tegen zodat hij in 1288 vermoedelijk al was overleden. Derhalve kan vanuit 1277 gezien het huwelijk van Godschalk en Mabelia zeker op midden tot eind jaren ’40 (ca. 1247) gesteld worden. Gezien het voorgaande is Mabelia dus geen Van den Berghe maar een Van der Lede! Ook bij dhr.Waale is Mabelia als een zus opgevoerd van Jan I van Arkel en Herbaren van den Berghe. Wel laat hij haar abusievelijk al in 1271 overlijden.
Literatuur:
P.G.F. Vermast, De Heeren van Goye, in De Nederlandsche Leeuw 66 (1949) 334, 338, 343.
W.H. Lenselink, De heren van der Merwede, 1243-1403, in Hollandse studiën 3 (1972). Hij gaat nauwelijks in op de Godschalk-tak en zit er derhalve een enkele keer naast.
C. Hoek, De oudste heren van Rhoon. Een bijdrage tot de geschiedenis van enkele geslachten, gegoed in de verdronken Riederwaard, in De Nederlandsche Leeuw 86 (1969) 232-273.
M.J. Waale, De Arkelse oorlog 1401-1412. Een politieke, krijgskundige en economische analyse (1990).
T.J. De Koning, Wie was de vrouw van Herbaren van den Berghe?, in Gens Nostra .50 (1995), 293-298.
M.J. Waale, Nogmaals een bijdrage tot de genealogie van het middeleeuwse adellijke geslacht Van Arkel, in De Nederlandsche Leeuw 117 (2000), 4-33.
Ook de datering van het huwelijk tussen Wouter van Langerak en de zuster van heer Herbaren van Arkel, heer van den Berghe, kan op ca. 1245/1250 worden gesteld. Hun dochter Agnes moet namelijk al rond 1265/1270 zijn gehuwd met Hubert van Vianen. Kleindochter Catharina van Vianen huwde ca. 1285/1290 met Gijsbert Bokel. Ook heer Herbaren van den Berghe zal ca. 1245 zijn gehuwd. Dit kan niet veel eerder omdat oudste broer Jan I van Arkel pas rond 1240 huwde. De huwelijkspartner van heer Herbaren is echter hoogstwaarschijnlijk niet de huwelijkskandidaat van dhr. De Koning. Hierover later meer. Gezien deze drie huwelijksdateringen kan niet anders worden geconcludeerd dat heer Herbaren van den Berghe een broer moet zijn van Mabelia van de Lede en van de vrouw van Wouter van Langerak.
Als dan rond 1315 al drie van de vier verwanten van Jan van Boenswart, afstammen van heer Herbaren en twee zussen, dan zal dat ook wel van toepassing zijn op heer Herbaren van Riede en zijn zus. Deze zus was Margriet van Riede die heer Jan van Brakel huwde. Hoek maakte hen tot kinderen van Hendrik Splinter van Riede, die in 1285 een volwassen zoon was van heer Anthonis van Riede (1285-1290). Laatstgenoemde is van de generatie van heer Herbaren zodat we hem hoogst-waarschijnlijk als zwager kunnen aanmerken. De naam van de vrouw van heer Anthonis van Riede is niet bekend maar wellicht is kleindochter Margriet vernoemd naar grootmoeder Van de Lede. Derhalve wil ik voorstellen deze grootmoeder voorlopig [Margriet] van de Lede te noemden waarbij we de haakjes dan voor namen en benamingen met een hypothetisch karakter reserveren.
Heel opvallend is dan het gegeven dat de nakomelingen van de andere broers en zus van heer Herbaren van den Berghe totaal niet in beeld zijn. Bezien we het gezin van stamvader Herbaren van de Lede chronologisch dan valt het op dat er drie staken te onderscheiden zijn. De oudste staak vormen Jan I van Arkel, zijn zus [Elisabet] die rond 1235 met Willem van Strijen huwde (Zondervan 487-488, 494), en Hugo Botter. De tweede staak vormen Herbaren van den Berghe en zijn zussen terwijl de jongste zoon Otto van Heukelom en Asperen duidelijk de jongste staak vertegenwoordigd. Hij huwde ook pas in de periode eind jaren ’50 tot 1260. Ook in de huwelijksdateringen vallen derhalve drie moten te onderscheiden.
Literatuur:
J.W. Zondervan, De vrouwen van Randerode en van Zandenburg (Veere), in De Nederlandsche Leeuw 110 (1993) 475-517.
De erfgenamen van Jan van Boenswart uit rond 1315 vertegen derhalve een groep van nazaten van heer Herbaren van den Berghe en zijn zussen die allen in de jaren ’40 of begin jaren ’50 zijn gehuwd. Zoals gezegd ging Hoek er vanuit dat de erfgenamen van Jan van Boenswart nakomelingen waren heer Herbaren van den Berghe, en dat ook Jan van Boenswart een zoon van laatstgenoemde zou zijn, want immers als hij een kleinzoon zou zijn geweest dan zouden in de zoen ook de magen van moederszijde worden genoemd wat echter niet het geval was. Nu we dus deze erfgenamen een generatie hoger als nakomelingen van Herbaren van de Lede hebben geïdentificeerd dienen we ook de verwantschap met Jan van Boenswart vast te stellen. Passen we de argumentatie van Hoek toe dan zou dat betekenen dat Jan van Boenswart een broer van heer Herbaren van den Berghe en zijn zussen zou moeten zijn. In dit geval zou genoemde Jan een gezegend maar onopvallend leven hebben gevoerd, aangezien we pas iets van hem vernemen als hij het eeuwige leven heeft verkregen. Misschien was Jan van Boenswart wel iemand met een geestelijke roeping: een kanunnik, broeder of investiet. Heer Herbaren en zijn zussen zullen zijn geboren in de periode jaren ’20 –begin jaren ’30. Als we Jan moeten rangschikken als broer dan zal hij rond 1304 minimaal een dikke zeventig zijn geweest. Een andere optie is de mogelijkheid dat heer Herbaren en zijn zussen via hun moeder de naaste verwanten vormen van Jan van Boenswart.
Het bij de verwanten ontbreken van nazaten van Herbaren van de Ledes oudste kinderen en diens jongste zoon maakt de zaak alleen nog naar raadselachtiger. De enigste wijze waarop een aantal kinderen met dezelfde vader zich van elkaar zou kunnen onderscheiden is via hun moeder. Zoals boven al werd geconstateerd vallen de kinderen van Herbaren van de Lede ook qua huwelijksdatering uiteen in drie groepen. Dit leidt mij tot de enigst logische conclusie:
Vader Herbaren van de Lede was driemaal gehuwd en heer Herbaren van den Berghe stamt uit diens tweede huwelijk!!!.
Hoewel verrassend hoeft dit nog geen afwijzing te betekenen voor de hypothese van De Koning aangezien de voornaam Alverade in de familie Van Arkel slechts voorkomt in de tak Van den Berghe en met de vrouw van heer Herbaren van den Berghe zal zijn binnengekomen. De bewijskracht van de voornaam Alverade is echter gehalveerd nu blijkt dat het opduiken van deze voornaam in de familie Van Langerak niet middels afstamming uit de vrouw van heer Herbaren van den Berghe te verklaren valt. Ook de bewijskracht van de in het artikel van De Koning vetgedrukte naam van Agniese van Langerak is met het bovenstaande gehalveerd. Deze Agniese lijkt door haar huwelijksdatering 1265/1270 een van de oudste kinderen uit het huwelijk Langerak-Van de Lede. Zij zal derhalve ongetwijfeld zijn vernoemd naar een van haar grootmoeders. Dit zal echter giswerk blijven omdat we niet bekend zijn met de naam van haar vaderlijke grootmoeder.
Hoe de naam Alverade in de familie Van Langerak is verzeild is niet moeilijk te verklaren. Alverade van Langerak, die in 1314 huwde met Gerard van Damasschen, was een dochter van Wouter van Langerak bij een dochter van Daniel III van Merwede. Haar oom ridder Daniel IV van der Merwede was getuige bij haar huwelijk. Oom Daniel IV werd in 1284 nog als kind omgeschreven hetgeen impliceert dat hij toen de leeftijd van twaalf jaar nog niet had bereikt. Hij moet derhalve in of na 1272 zijn geboren hetgeen mooi past bij zijn geschatte huwelijksjaar rond 1300. Grootvader Daniel III wordt voor het eerst genoemd in 1272. Hij was toen schildknaap en moet nog maar kort tevoren, zijn na 1266 overleden vader Daniel II hebben opgevolgd. Het huwelijk van Daniel III valt derhalve rond 1270/1275 te verwachten. Zijn vrouw is hoogstwaarschijnlijk een dochter uit de familie Van de Doortoge, een tak van de Van Brederodes (Verhoog 80), een suggestie dat wordt bevestigd door een later verwantschapsaanduiding. In 1341 werd Floris Janszn. van de Doortoge, een kleinzoon van Floris van Brederode, een ‘neve’ genoemd door de ridders Dirk heer van Brederode en Daniel V van der Merwede (de Keijzer 92).
De vrouw van Daniel III van der Merwede zou dan chronologisch gezien een dochter zijn van heer Floris van Brederode (1265-1293), ridder en leenman van de graaf van Holland voor het huis te Doortoge, heer Zegwaard en Zevenhuizen, bij een vermoedelijke dochter van Nicolaas van der Putten (1229-1247) (de Keijzer 91). Voornoemde Floris van Brederode was een zoon van heer Dirk van Brederode en Alverade van Heusden. Het ligt derhalve in de lijn der verwachting dat Floris een dochter naar zijn moeder zal hebben vernoemd, zijn broer Willem heeft het ook gedaan. Deze dochter [Alverade] van de Doortoge huwde 1270/75 met Daniel III van der Merwede. Uit dit huwelijk werd een dochter verwekt die ca. 1295 (als waarschijnlijk 2e echtgenote) huwde met Wouter van Langerak. Hieruit werd een dochter met naam Alverade verwekt.
Literatuur:
W.H. Lenselink, De heren van der Merwede, 1243-1403, in Hollandse studiën 3 (1972), is onvolledig inzake de Godschalk-tak en gaat uit van een geboortejaar van ± 1278 voor Daniel IV.
J.H. Verhoog, Onvoltooide Roem. De Heeren van Brederode in de Middeleeuwen (1997), blz. 80 met verwijzing naar een stamreeks van de Heren van Merwede.
B. de Keijzer, Stamreeks Van der Duyn (Verduyn), in Hollandse Stam- en Naamreeksen (1988), blz. 91-92.
Nu zijn we aanbeland bij de tak Van den Berghe zelf. Daar waar andere auteurs in het verleden zich door zo’n voornaam Arnold hebben laten leiden in het leggen van een familierelatie naar de familie van de Heren van Heusden, is de heer De Koning heel stellig in zijn afwijzing. In zijn hypothese is de vrouw van heer Herbaren van den Berghe een dochter van heer Dirk van Brederode en Alverade van Heusden. Dit betekend dus toch een verwantschap tot de Van Heusdens zij het indirect waarmee hij zijn eigen argumentatie ontkracht. In de vele zoenbrieven die na 1268 werden opgemaakt figureren vele verwanten van de Van Cuijks en Van Heusdens. Van enkele Cuijkse verwanten blijkt de gemeenschappelijke verwantschap zelfs vier generaties terug te voeren tot het echtpaar Hendrik II van Cuijk (+1204) en Sophia van Renen die ± 1160 moeten zijn gehuwd.
Literatuur:
T.J. De Koning, Wie was de vrouw van Herbaren van den Berghe?, in Gens Nostra .50 (1995), 293-298.
E.Rosenkrantz, Bijdrage tot de geschiedenis van Gelderland, deel III, Geldersche Volks-Almanak 62 (1896), 13-38, deel IV, Geldersche Volks-Almanak 63 (1897), 43-76.
Toch zijn er bij één tak wel degelijk aanwijzingen dat er een dergelijke verwantschap moet zijn geweest. Juist bij de tak Van den Berghe is dit aantoonbaar. Hierover verder meer maar allereerst moet een andere misvatting de wereld uit geholpen worden. Heer Arnold van Liesveld, heer van den Berghe was inderdaad bij een dochter van Arnold van Amstel, de vader van Agnes van den Berghe die ca. 1310 met Elias van den Woudenberg huwde. Maar deze Van Amstel dochter was niet de moeder van Elisabeth van den Berghe die ca.1290 huwde met Jan I Berthout van Berlaer, heer van Helmond en Keerbergen. Derhalve komen ook de bevindingen van De Koning met betrekking tot de voornaam Elisabeth en mogelijke ontlening uit de familie Van Amstel te vervallen.
Literatuur:
Hans Vogels, De Van Berlaers, Heren van Helmond 1314-1425, dl.1 in Helmonds Heem 1990-4, 37-52. Hierin werd nog uitgegaan van een huwelijk ca.1300 van Jan I Berthout van Berlaer. Diens niet naar vader verzoemde zoon en opvolger Lodewijk huwde al ca. 1320. Vader Jan I zal derhalve minimaal al rond 1295 en wellicht al in 1290 zijn gehuwd aangezien Jan I toen van zijn vader een eigen apanage kreeg om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het verkrijgen van een apanage in combinatie met vernoemings-overwegingen maakt 1290 een plausibelere datering voor het huwelijk van Jan I Berthout.
G. Croenen, Achtergronden van de verwerving van de Heerlijkheid Helmond door Jan Berthout van Berlaar in 1314, in De Vlasbloem. Historisch Jaarboek voor Helmond 9 (1988), 39-52.
Ph.J. v. Dael, Van Woudenberg, in De Nederlandsche Leeuw 112 (1995), 469-482.
De moeder van Elisabeth van de Berghe is niet bekend maar moet een dochter van heer Osto van Born (in Limburg) en Margareta van Elslo zijn geweest. Haar broer Gooswijn van Born werd in 1296 heer van Elslo genoemd. Hij was de eerste heer van Elslo uit het huis Born na het verlies van de heerlijkheid Born. Heer Jan I van Berlaer, heer van Helmond, en zijn vrouw Lizebeth van den Berghe verkochten op Palmzondag 1316 aan de abdij Postel een erfrente van twee mud rogge uit hun goederen te Elslo. Hun jongere zoon Jan van Berlaer zou rond 1330 huwen met Margriet van Blitterswijk en de ouders worden van Gielis van Berlaer en Oest van Berlaer. De tak van Gielis, ca.1360 gehuwd met Ermgard van Zevenborne, zou bij diens zoon Jan van Berlaer, heer van Haps in wettige lijn uitsterven. Jan had echter twee natuurlijke zonen Gielis en Gooswijn. In het Brabantse komt het wel meer voor dat natuurlijke kinderen voorzien werden van mooie namen uit een ver voorgeslacht. De combinatie van voornamen als Oest (=Osto) en Gooswijn en goederenbezit in Elslo doet sterk aan een huwelijksverbintenis tussen de Van Berlaers en de Van Borns denken. In het Brabantse voorgeslacht van heer Jan I Berthout van Berlaer, heer van Keerbergen en 1e heer van Helmond, komt geen enkele mogelijke link voor. Derhalve moet de verwantschap Berlaer-Born zijn ontstaan door het huwelijk van heer Jan I Berthout van Berlaer.
Literatuur:
J.J.M. Heeren, Geschiedenis van het Kasteel-Raadhuis en de Heren van Helmond (1938) 34, met verwijzing naar de Noord-Brabantsche Almanak 1893 blz. 859.
Elisabeth van den Berghe’s moeder kan in de genealogie van de heren van Born slechts op één plek ingepast worden, als dochter van heer Osto van Born (+ n… 1296) en Margareta (+ na …1287). Osto van Born was de oudste zoon van Gooswijn III van Born (+ n … 1290) [uit diens huwelijk ca. 1230 met een dochter van heer Otto II van Wickerode (+ 1245)]. Het huwelijk van Osto van Born en Margareta kan op 1255/1260 gedateerd worden. Omdat hun zoon Gooswijn van Borne heer van Elslo werd en hun kleindochter Elisabeth van den Berghe over goederen in Elslo kon beschikken kan worden geconcludeerd dat Margareta, de echtgenote van heer Osto van Born, een Van Elslo moet zijn geweest. Het daarvoor in aanmerking komende ouderpaar is dan Arnold V van Elslo en diens vrouw Ida. Een conclusie die ik ook teruggevonden heb in de ES. Het huwelijk van heer Arnold van Liesveld, heer van den Berghe met een meisje Van Borne zal gezien het huwelijk ca. 1290 van Elisabeth voorlopig op minimaal 1275 gesteld worden. Haar voornaam is niet bekend maar ze zal als oudste dochter wel zijn vernoemd naar een van haar grootmoeders. Daar kennen we één van bij naam, Ida. Deze voornaam komen we in het Van Berlaer nageslacht echter niet tegen hetgeen eventueel echter verklaard kan worden door het jeugdig overlijden van de naamdrager of een ons onbekend gebleven intreden in een klooster.
Literatuur:
Hans Vogels, De Heren van Cranendonk en hun verwanten tot ca. 1300. Aanvullingen en alternatieven, conceptartikel 18-11-1996.
Born, een koninklijk domein (1978).
A.M.P.P. Janssen, De eerste heren van Born, in Castrum de Borne. Uit het verleden van kasteel Born (1991).
Europäische Stammtafeln VII-114-Elsloo-Stein.
Wat hierboven over een link Berlaer-Born gezegd werd kan ook worden herhaald over een verwantschap tussen heer Jan I Berthout van Berlaer en het geslacht van de heren van Heusden. In het voorgeslacht van heer Jan I Berthout van Berlaer is geen enkele indicatie voor een verwant- of aanverwantschapsrelatie. Derhalve moet die relatie die vanaf 1304 aantoonbaar is zijn ontstaan uit Jans huwelijk met Elisabeth van den Berghe. In 1304 stond hij borg voor Jan III, heer van Heusden (1268-1308) die hij ‘sinen neve’ noemt. In 1318 werd heer Jan I Berthout van Berlaer ingeschakeld als scheidsrechter in een geschil over de voogdij over Jan V van Heusden. Dit was een precaire taak, aangezien de familie Van Heusden intern overhoop lag. Hoewel het hem lukte om een verzoening met betrekking tot de voogdij tot stand te brengen, werd er in zomer 1318 toch om Heusden gevochten. De heren van Berlaer blijken later ook nog wat bezit te hebben in het Land van Heusden. Bezit dat enerzijds via Elisabeth van den Berghe of anderszins via het huwelijk van zoon Lodewijk van Berlaer met Johanna van Dinther, dochter van heer Dirk van Dinther bij [Catharina] [van Benthem], dochter van Walram van Benthem en Agnes van Heeswijk zal zijn verworven.
Literatuur:
Hans Vogels, De Van Berlaers, Heren van Helmond 1314-1425, dl.2 in Helmonds Heem 1991-2, 33-36.
Hans Vogels, Walram van Benthem, zijn afkomst en familie, conceptartikel (in ontwikkeling).
Heer Jan I Berthout van Berlaer moet dus middels zijn vrouw Elisabeth van den Berghe verwant geworden zijn van de Heren van Heusden. Via Elisabeth’s moeder valt geen relatie naar de Van Heusdens te achterhalen. Dit betekent dat Elisabeth’s vader heer Arnold van Liesveld, heer van den Berghe al een bloedverwant moet zijn geweest. Zijn afwezigheid bij de talrijke Keulse zoenbrieven hoeft niet voor verwondering te zorgen aangezien hij ook door een oudere broer of verwant kan zijn vertegenwoordigd. Ik denk daarbij aan de persoon Constantijn van Liesveld. Deze wordt 23 april 1271 genoemd als laatste van vijf bloedverwanten en vrienden in een verklaring van Dirk van Heusden en zijn broer Robert van Heusden, waarin Dirk van Heusden zich verzoend met de stad en burgers van Keulen, die hem hadden gevangen genomen en tegen een losgeld vrijgelaten, en zijn broer Jan hadden gedood. Die vijf magen waren: Johan van Megen; Robert, de broer van Arnoud van Drongelen; Dirk van Kerkwerve; Jan van Stavenisse; en Constantijn van Liesveld.
Literatuur:
E.Rosenkrantz, Bijdrage tot de geschiedenis van Gelderland, deel III, Geldersche Volks-Almanak 62 (1896), 13-38, deel IV, Geldersche Volks-Almanak 63 (1897), 43-76.
J.G. Kruisheer, OHZ III, nr. 1552.
Boven is al gesteld dat de Van den Berghes bloedverwanten van de Heren van Heusden moeten zijn geweest. Ook de voornaam Alverade bij een dochter van heer Arnold van Liesveld is een indicatie daarvoor. In 1271 komen we een Constantijn van Liesveld tegen in een Van Heusden omgeving. Met Groesbeek zie ik in deze Constantijn een zoon van heer Herbaren van den Berghe. Uit vernoemingoogpunt gezien niet de oudste zoon maar in 1271 wellicht de oudste in leven zijnde zoon. Constantijn wordt na 1271 niet meer genoemd en zal derhalve zijn overleden. Zijn jongere broer heer Arnold van Liesveld die de taak kreeg om de stamlijn voort te zetten zal derhalve na diens overlijden aan huwen zijn gaan denken. Heer Arnolds dochter Elisabeth huwde ca. 1290 met heer Jan I Berthout van Berlaer. Het huwelijk van heer Arnold zal derhalve tussen 1271 en 1275 te dateren vallen. De vraag is nu hoe Constantijn en heer Arnold aan hun verwantschapsband met de Van Heusdens zijn gekomen?
Literatuur:
W.J. Groesbeek, Van Liesveld, in De Nederlandsche Leeuw 69 (1952) 274-286.
Als de vrouw van heer Herbaren van den Berghe een Van Heusden was dan valt deze in de genealogie van de Heren van Heusden in te passen als dochter van Arnold II van Heusden en Mathilde/Mechtild van Heinsberg. Dit verklaard dan in ieder geval de voornaam Arnold in de Van den Berghes, dit keer een correcte vernoeming naar een moederlijke grootvader. De verwantschapsbetiteling ‘neve’ uit 1304 van zijn schoon-
zoon is dan gebaseerd op aanverwantschap in de 2e en 3e graad. Arnold II van Heusden was de grootvader van Jan III van Heusden (1268-1308). Indien we nu de verwantschapslink 1 generatie hoger zoeken dan is er sprake van 3e en 4e graad en komt Jan I (+ n. 1217) van Heusden (x ca. 1180/85 Aleidis) in de picture. Als heer Herbaren van den Berghe en zijn zussen een Van Heusden moeder hadden dan zouden omgetwijfeld ook de mannen en nakomelingen van die zussen acte de presence hebben gegeven in de zoenakten met Keulen. Dit is niet het geval zodat derhalve de verwantschapslink Van den Berghe-Heusden gezocht moet worden via de vrouw van heer Herbaren van den Berghe.
Aangezien, gezien haar huwelijksdatering, Elisabeth de oudste dochter van heer Arnold van Liesveld moet zijn geweest en deze naam niet ontleend is aan haar grootmoeder van moeders zijde, Margareta van Elslo, zal Elisabeth zijn vernoemd naar haar vaderlijke grootmoeder. De echtgenote van heer Herbaren van den Berghe zal ik derhalve betitelen als [Elisabeth] [van Heusden] omdat haar voornaam en afkomst afzonderlijk zijn beredeneerd. Qua generatie zal ze een dochter van Arnold II van Heusden en Mathilde van Heinsberg moeten zijn.
Een zinnige verklaring voor de herkomst van de naam Constantijn kan voorlopig nog niet gegeven worden. Wellicht dat [Elisabeth] [van Heusden] vóór haar huwelijk, ca. 1245 met heer Herbaren van den Berghe, met een Constantijn gehuwd is geweest. Misschien stamde de moeder van heer Herbaren van den Berghe wel uit een familie waarin deze naam gevoerd werd. In de voornaam Constantijn zie ik een volledige schrijfwijze van de roepnaam Costijn die we in het Zeeuwse bij diverse geslachten tegenkomen. Bij voorbeeld bij de families Van Renesse en Van Stavenisse die beiden een klimmende aanziende leeuw in hun wapen voeren. Leden met naam Jan en Costinus in beide families figureren onder de bloedverwanten van de Van Heusdens. Andere suggesties hieromtrent zijn welkom.
Literatuur:
E.Rosenkrantz, Bijdrage tot de geschiedenis van Gelderland, deel III, Geldersche Volks-Almanak 62 (1896), 13-38, deel IV, Geldersche Volks-Almanak 63 (1897), 43-76.
De naam Alverade bij een jongere dochter van heer Arnold van den Berghe is dus in deze opzet niet verklaarbaar uit een vernoeming naar haar grootmoeder van moeders zijde. Dit was ook bij De Koning niet het geval. Ook het feit dat we niet bekend zijn met aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken of ze uit heer Arnolds eerste of tweede huwelijk stamde helpt ons in deze niet veel verder dan was giswerk. Wellicht is Alverade vernoemd naar haar qua voornaam onbekend gebleven tante die met een al even obscure Floris gehuwd was. Misschien hebben we ons met het zoeken van een verklaring voor de naam Alverade wel in de familie vergist. Naast de familie Van Heusden komen we de naam Alverade ook tegen in de familie Van Cuijk. Zo huwde Alverade van Cuijk rond 1205 met de Zeeuwse edelman Dirk van Voorne, burggraaf van Zeeland. Volgens dhr. J.C. Kort had dit echtpaar had 6 kinderen: vier zonen en twee dochters. Oudste zoon Hendrik was de vader van Albert van Voorne die onder andere een Mabelia (x Jan III van Arkel) en een zoon Gerard had. In het eerste artikel van Groesbeek over Van Liesveld merkte ik vandaag een nuttig detail waarvan de mogelijke consequenties over het hoofd zijn gezien.
De Van den Berghes waren een jongere familietak van de Heren van Arkel. Als leenman van Arkel bezat deze familietak de heerlijkheden Van den Berghe, Ammers, Gravelant en van den Afterlande. Verder bezat men als leenman van Arkel, maar nu als achterleenman van Voorne, de heerlijkheid Gelkenesse en half Nieuwpoort. De huizen Liesveld in de heerlijkheid Gelkenesse, en Ten Berghe en nog enige hoeven land in de gelijknamige heerlijkheid, waren echter allodiaal goed. Verder bezat men oorspronkelijk ook nog de visserij in de Lek van Schoonhoven tot Oude Ammerskerk in leen van het Kapittel van Oudmunster.
Wouter uten Goye, heer van Langerak en zijn nazaten waren leenman van Arkel voor de heerlijkheid Langerak en half Nieuwpoort. Volgens een latere constatering zou dit leen zelfs een achterleen zijn omdat Arkel de heerlijkheid Langerak en half Nieuwpoort in leen hield van de Graaf van Holland. Deze constatering dateert echter van na het uitsterven van de Heren van Voorne, burggraven van Zeeland, toen Voorne als leen terug viel aan de Graaf. Aangezien hierboven al bleek dat de Liesveldse helft van Nieuwpoort een leen van Arkel en achterleen van Voorne was, mag als bijna zeker worden verondersteld dat de Langerakse helft van Nieuwpoort dat ook was, evenals de heerlijkheid Langerak.
Literatuur:
W.J. Groesbeek, Van Liesveld, in De Nederlandsche Leeuw 69 (1952) 274-286.
P.G.F. Vermast, De Heeren van Goye, in De Nederlandsche Leeuw 67 (1950) 165-177, 194-229, 236-251
Samenvattend kunnen we dus stellen dat heer Herbaren van den Berghe samen met zijn zwager, de man van zijn volle zus, Wouter uten Goye, heer van Langerak, van hun oudere halfbroer en zwager de Heer van Arkel, de heerlijkheden Gelkenesse, Langerak en Nieuwpoort in leen hielden. Lenen die Jan I van Arkel zelf in leen hield van de Heren van Voorne. Combineren we dit gegeven met de voornaam Alverade in de Van den Berghe-tak dan kunnen we voorzichtig opmerken dat heer Herbaren van de Lede in zijn tweede huwelijk rond 1220 wellicht gehuwd is met een van de twee dochters van Dirk van Voorne en Alverade van Cuijk en middels dit huwelijk heeft heer Herbaren van de Lede dan de heerlijkheden Gelkenesse en Langerak in leen verworven van de Heren van Voorne. Deze heerlijkheden zijn in de volgende generatie als leen aan de Heer van Arkel gebleven en door deze in achterleen uitgegeven aan zijn halfbroer en zwager die er krachtens vererving middels hun moeder recht op hadden. De beide zwagers hebben vervolgens later op het grensvlak van hun heerlijkheden de plaats Nieuwpoort gesticht.
De voornaam Alverade blijkt dan nu te verklaren door een vernoeming naar Alverade van Cuijk, de schoonmoeder van heer Herbaren van de Lede. In deze reconstructie is het zelfs mogelijk om de onbekend gebleven zus van heer Herbaren van den Berghe alsnog te tooien met de voornaam [Alverade] zoals De Koning dat op basis van geheel andere argumenten deed in zijn artikel, dat de aanleiding voor deze reactie was. Het is echter een [Alverade] van de Lede en geen Van den Berghe zoals De Koning stelde. Deze nieuwe afstamming vormt ook geen hindernis voor de afkomst en naams-verklaring van de vrouw van Wouter II van Langerak: [Alverade] van der Merwede. Deze had wel een Van Heusden achtergrond.
Dit nieuwe inzicht is tevens een steun voor de constatering dat heer Jan I van Arkel en heer Herbaren van den Berghe halfbroers waren. Jan’s kleinzoon Jan III huwde met Mabelia van Voorne, een achterkleindochter van Dirk van Voorne en Alverade van Kuyc. Waren Jan en Herbaren volle broers geweest dan hadden Jan III van Arkel en Mabelia van Voorne wegens hun 4e en 3e bloedverwantschap niet mogen trouwen. Doordat heer Jan I van Arkel geen Voorne-moeder had bestond er ook geen bloed-verwantschap.
0-0-0-0-0
Aanvullende opmerkingen na aanleiding van enkele kritische opmerkingen van de heer Van Buijtene:
9-1-2002
Van den Berghe
U weet op duidelijke wijze de geslachtsnaam van de moeder van Elisabeth van den Berghe te beredeneren, die dan een dochter zou moeten zijn van Osto van Born en Margaretha van Elslo. Nu stelt J.Russel in zijn “Kronyk of geschiedkundige beschrijving der stad en voormalige heerlijkheid Sittard” (blz. 172 en 173) nadrukkelijk dat Osto en Margaretha alléén een zoon Goswinus hadden en dat is dan in tegenspraak met het bestaan van een dochter, die met Arnold van den Berghe was getrouwd. (Ik geef deze informatie maar voor wat het waard is!)
U stelt dan vervolgens dat de moeder van Elisabeth mogelijk vernoemd zal zijn naar een van haar grootmoeders. De ene grootmoeder (Ida) kennen we bij naam maar deze naam komen we in het Van Berlaer nageslacht niet tegen, zo zegt u. Nu dacht ik dat Elisabeth van den Berghe de éérste vrouw was van Jan II Berthout genaamd van Berlaar en dat Jan weliswaar twee dochters had maar dat die uit zijn tweede huwelijk met Margaretha van Hervele stamden. Met andere woorden: Elisabeth van den Berghe had geen kinderen en dus zal de naam Ida inderdaad niet in het nageslacht van Jan II van Berlaar voorkomen. Elisabeth’s moeder kan dus wat dat betreft rustig Ida hebben geheten, al was er uiteraard nog een onbekende grootmoeder van de Van Born-kant.
De Van den Berghe’s moeten bloedverwanten van de heren van Heusden zijn geweest, meent u. Niet alleen zou dat blijken uit de voornaam Arnold van de zoon van Herbaren van den Berghe maar óók de voornaam Alverade van een dochter van deze Arnold van Lieshout zou daarvoor een indicatie zijn, zo schrijft u. Iets verder komt u al redenerend uit op een mogelijke dochter van Arnold II van Heusden en Mathilde van Heinsberg. Nu is de enige Alverade in het geslacht van Heusden de zuster van Arnold II, die met Dirk I van Brederode was getrouwd. Dat zou betekenen dat Arnold van Lieshout zijn dochter Alverade zou hebben vernoemd naar een zuster van zijn grootvader. Lijkt u dat nu ècht waarschijnlijk? Bovendien is zo weliswaar de voornaam Arnold in de Van den Berghe-staak wel verklaard maar nog steeds niet voor de zonen met die naam van Jan I van Arkel en Otto van Heukelom!
Een ander feit dat nog aandacht verdient, is de naam Agnes/Agniese, die zowel in het nageslacht van N.N. van Arkel (gehuwd met Wouter van Langerak) als in het nageslacht van Herbaren van den Berghe (via Arnold van Liesveld) voorkomt.
Het lijkt het niet erg aannemelijk om Jan van Boensward te rangschikken als broer van Herbaren van den Berghe en zijn zussen, tenzij Jan een zoon zou zijn uit een eerder huwelijk van hun moeder. Als volle broer zou er namelijk tòch verwantschap bestaan met de oudste- en jongste van Arkel-staak! Dit zou zeker gevolgen hebben gehad voor Jan’s nalatenschap, hetgeen nu niet het geval was.
Tenslotte ben ik van mening dat het waarschijnlijker is dat Hendrik Splinter van Riede gehuwd was met een dochter van Herbaren van den Berghe. In de eerste plaats vanwege Hendrik’s zoon Herbaren, die dan gewoon genoemd zou zijn naar zijn grootvader maternel en in de tweede plaats omdat bij zwagerschap tussen Anthonis van Riede en Herbaren van den Berghe de vernoeming van Herbaren van Riede niet naar een grootvader, doch naar een overgrootvader zou zijn, hetgeen toch aanzienlijk minder waarschijnlijk is.
Aanvulling: 10-1-2002
Bedankt voor uw kritische evaluatie van mijn notitie. Het geeft aan dat ik op enkele onderdelen mijn argumentatie helderder en aanvullender moet onderbouwen. Ik geef grif toe dat ik de wijsheid niet in pacht heb en een kristallen bol behoort helaas nog niet tot mijn standaarduitrusting. Wat ik wel kan doen is om met een kritische vinger te wijzen naar zwakke plekken, aandacht te vragen voor over het hoofd geziene details en om logische alternatieven te bedenken om het een en ander op logische wijze te verklaren. Terugkijkend vanuit het heden moeten wij als onderzoeker echter niet uit het oog verliezen dat veel van wat wij als zekere wetenschap beschouwen slechts een resultaat is van de laatste stand van zaken die wellicht jaren ongewijzigd is gebleven, tot dat iemand met nieuwe feiten of een nieuwe invalshoek komt waardoor een en ander op de helling komt. Absolute zekerheid bestaat vaak alleen over feiten en details. Het grote verband wordt ingevuld met veronderstellingen die naar mate van de autoriteit van de onderzoeker lang mee kunnen gaan. Helaas bezat men vroeger niet de wetenschappelijkheid, kritische instelling en toegang tot de geschiedkundige kennis die we heden ten dage bezitten.
Mijn betoog in mijn Van den Berghe-notitie is deels opgebouwd uit diverse feiten- en argumentenschakels. Om maar met de belangrijkste te beginnen. Ik word vaak geattendeerd op het feit dat Lodewijk van Berlaer de broer zou moeten zijn van zijn voorganger Jan I Berthout van Berlaer, 1e heer van Helmond. Dit volgens de informatie die uit de oudere literatuur vanaf Butkens zou blijken. Echter uit een artikel van P. Adam-Evèn in de NL 1956 kolom 38-42 blijkt dat Lodewijk van Berlaer de zoon uit het 1e huwelijk van Jan I Berthout van Berlaer en Elisabeth van den Berghe moet zijn geweest. Ik heb Jan Berthout van Berlaer als Jan I aangeduid omdat hij de eerste heer van Helmond uit zijn geslacht was. Zijn vader moest wegens geldgebrek de heerlijkheid Berlaer al verkopen nog voor deze aan zijn zoon vererfd kon worden.
Adam-Evèn maakt echter Jan I Berthout van Berlaer tot zoon van diens gelijknamige vader Jan Berthout van Berlaer (1264-1312) uit diens 2e huwelijk met Maria van Souburg, weduwe van Hugo heer van Kruiningen en Woensdrecht (1263-1293).
Maria van Souburg, dochter van Nicolaas van Souburg, huwde pas in of kort voor 1305 met Jan Berthout van Berlaer. In 1306 werd een regeling vastgesteld voor Maria en haar eventuele kinderen. De goederen die daarvoor bestemd werden bevinden zich later in het bezit van de kinderen uit Jan's eerste huwelijk wat er op wijst dat Maria en Jan geen wettige kinderen hebben gehad.
Bron: G. Croenen, Maria van Berlaar en de Spiegel Historiaal, in In verscheidenheid. Liber amicorum prof. dr. em. Robert Van Passen, Aartrijke 1993, 63-72.
In 1990 heb ik met een artikel over De Van Berlaers, heren van Helmond 1314-1425. Deel 1, in Helmonds Heem 1990-4, 37-52, ook duidelijk gemaakt dat 1. Lodewijk een zoon van Jan I Berthout van Berlaer was, en 2. dat Jan I Berthout van Berlaer een zoon van Jan Berthout van Berlaer de oude uit diens eerste huwelijk met Maria van Mortagne was. Deze conclusie was gebaseerd op twee pijlers: een Helmondse schepenakte uit 1383 waarin gesteld werd dat heer Jan I van Berlaer opgevolgd werd door zijn zoon heer Lodewijk en die door zijn zoon Walraven en die door zijn zoon Jan die in 1383 heer van Helmond was; en de leenopvolging die o.a. bij Galesloot, Le livre des Feudataires de Jean III etc. (±1312-1350), op blz. 197 valt te vernemen. Het goed Helmond en zijn aanhangselen dat op naam stond van Ludovicus de Berlaer, filius quondam domini Johannis de Berlaer. En na hem (vóór 1350) op diens jonggestorven zoon Johannes. Deze leeninschrijving moet van vóór 1335 dateren aangezien Lodewijk in dat jaar voor het eerst ridder werd genoemd. Lodewijk heeft pas in of kort voor 1329 zijn vader Jan I Berthout van Berlaer opgevolgd. Derhalve moet de als quondam domini Johannis de Berlaer beschreven vermelding op zijn vader heer Jan van Berlaer, de eerste heer van Helmond slaan. Als Lodewijk zijn broer had opgevolgd had de leeninschrijving dat ongetwijfeld wel vermeld. De editie Galesloot geeft daarvoor tal van voorbeelden.
In 1990 ging ik er nog van uit dat Lodewijk ca. 1325 en zijn vader rond 1300 huwden. Anno heden hanteer ik huwelijksschattingen van ca. 1320 en rond 1290 zoals ik ook een tussennoot heb toegelicht. Uit het huwelijk Berlaer-van den Berghe stammen minstens drie kinderen: opvolger Lodewijk; dochter Maria die in 1316 huwde met Lodewijk Raduard, heer van Meerlop, en later met Jan van Kuyc van Mieroop hertrouwde; en zoon Jan van Berlaer heer Jans die na ... 1378 overleed. Deze Jan had zijn vizier op Limburg gericht. Hij huwde met Margareta, dochter van Arnt van Blitterswijk. Jan was na het overlijden van zijn oomzegger Walraven van Berlaer een tiental jaren voogd over zijn achterneef. Jan van Berlaer heer Jans en zijn vrouw jkvr. Margareta, hun zoon Gielis en haar natuurlijke zoon Arnt (bij de heer van Haps) figureren zijdelings in een artikel dat vorig voorjaar uitkwam: Hans Vogels, De adellijke familie Van Gemert, hoofdstuk 6 in, Het Hooghuis te Gemert. Archeologisch en historisch onderzoek betreffende het middeleeuws kasteel van de heren Van Gemert, Gemert 2001, blz. 109-122. Naast Gielis was er ook nog een zoon met naam Oest (Oestijn/Osto). Deze voornaam komt niet zo vaak voor en dan denken we vaak meteen aan de familie van de Heren van Born en Elslo. Ook van Jan I Berthout van Berlaer en zijn vrouw Elisabeth van den Berghe weten we dat ze in Elslo gegoed waren.
Zoals beschreven in mijn notitie kan de link Berlaer-Elslo en Berlaer-Heusden alleen maar door het huwelijk van Jan I en Elisabeth zijn ontstaan. Omdat het niet valt te verklaren met mogelijke verbanden in de Van Berlaer-voorouders moet de link verklaard worden via de voorouders van Elisabeth. In uw reactie wordt dit ook niet resoluut afgewezen. Zelf heb ik ook ergens gelezen dat van Osto van Born en Margareta van Elslo slechts één zoon Gooswijn bekend is. Dit kan dus geïnspireerd zijn door de door u genoemde kroniek. Het leuke van kronieken is vaak dat te pas en te onpas zaken overgenomen worden als ze in een bepaald stramien passen. Onvolkomenheden worden wel gesignaleerd maar een bruikbaar gegeven wordt met toelichting dat dit specifieke onderdeeltje betrouwbaar moet zijn, toch vaak ingepast in de betrouwbare reguliere geschiedenis (zie b.v. Bertha van Ochten). Uit welke tijd dateert overigens de kroniek van J. Russel? Hebt u daar wat meer informatie over? Zoals vermeldt is een link Liesveld-Born de verklaring voor de door mij gesignaleerde feiten. Het verhaal spreekt voor zichzelf in de notitie. We moeten ook niet teveel ophef maken of opkijken van een huwelijksrelatie tussen een Van Arkel-telg en een Limburgse. Zo huwde Arnold, heer van Stein rond of voor 1300 met een Margareta van Renesse, erfdochter van Gouda. Dat is een soortgelijke situatie. De adel zal zo wel haar informatiekanalen hebben gehad.
De moeder van Elisabeth kan best Ida hebben geheten. Hoewel we deze voornaam niet meer tegenkomen in het nageslacht van Jan I en Elisabeth, hoeft dit niet te betekenen dat er geen naamdrager kan zijn geweest. Deze kan jeugdig zijn overleden of ergens in een klooster zijn ingetreden. Wellicht komt de naam van Osto van Born's moeder nog ooit ergens uit een informatiebron of necrologium te voorschijn. Dan pas zouden we er een betrouwbare gis naar kunnen doen. Het klinkt voorzichtig maar dat is geïnspireerd uit een voorbeeld vorige week. Ik had al beredenerend aan een Jan van Haestrecht (zoon van Dirk Alras van Arkel) een dochter van Willem van Montfoort gegeven. Als mogelijke voornaam had ik de keus uit een van de twee bekende grootmoeders. Op basis van de voornamen van de kleindochters kwam ik tot een keuze. Iemand attendeerde me vorige week echter op een artikel van dhr. Plomp dat enerzijds de huwelijkslink bevestigde maar anderzijds aan de betrokkene een voornaam gaf die niet overeenkwam met die van haar grootmoeders en van haar eigen moeder. Dus het logisch beredeneren is ook vaak betrekkelijk.
De link Van den Berghe/Liesveld moet mijns inziens bij de vrouw van Herbaren van den Berghe hebben gelegen. De argumenten daarvoor staan in de notitie alsmede een suggestie voor haar voornaam. Over de in 1271 ook genoemde getuige Johan van Megen, graaf/heer van Megen wordt elders verondersteld dat hij zijn voornaam Jan ook aan een vernoeming naar een grootvader Jan van Heusden te danken moet hebben. Van de voorlaatste getuige Jan van Stavenisse is bekend dat hij een oudere broer Costijn had. Die voornaam is heel suggestief als we zien dat de laatste getuige in die oorkonde een Constantijn van Liesveld was. Een afdoende verklaring voor diens voornaam heb ik nog niet maar ik blijf daar wel naar zoeken.
Het introduceren van de voornaam Alverade als extra indicatie voor de huwelijkslink Van den Berghe-Heusden is hier inderdaad minder toepasselijk maar doet verder niets af aan de andere argumenten voor de huwelijksrelatie. Het is hooguit een constatering achteraf. Ik was waarschijnlijk onbewust toch iets teveel beïnvloed door veronderstellingen van oudere auteurs. Alverade van den Berghe de dochter van Arnold van Liesveld kan zoals gezegd ook zijn vernoemd naar haar onbekende tante N.N. die met een Floris huwde en voor de tweede Van Liesveld-tak zorgde. Die oudere auteurs hebben ook hele verhalen opgehangen over een gemeenschappelijke verklaring van de voornaam Arnold bij diverse Van Arkel-takken, wat bij mij als onwaarschijnlijk is overgekomen. Ik heb me in deze notitie slechts bezig gehouden met de Van den Berghe-tak, bovendien mag ik ook wel iets overlaten aan andere onderzoekers. Zolang we niets met zekerheid weten over de achtergrond van de huwelijkspartners van Jan I van Arkel en diens jongste broer Otto is er nog een heel onderzoeksveld open voor de liefhebber.
De voornaam Agnes hoeft niet persee een gemeenschappelijke verklaring te hebben zoals De Koning veronderstelde. In het reconstructieplaatje dat De Koning schetste was het een onderdeel van de argumentatie. Ik meen zelf dat ik voldoende feiten heb aangedragen voor een gegronde twijfel aan diens reconstructie. Ik heb er een alternatief voor in de plaats gesteld dat op zijn beurt weer kritisch bekeken mag c.q. moet worden. Er is niets mis met een discussie want door nader onderzoek worden we allemaal wijzer. De voornaam Agnes kan dus ontleend zijn aan zowel de familie Van Amstel/van IJsselstein als aan de familie Uten Goye.
Het is inderdaad een correcte vaststelling inzake Jan van Boenswart. Nader onderzoek is inderdaad gewenst om de juiste familierelatie van Jan van Boenswart tot zijn verwanten vast te stellen.
Uit naamkundige overwegingen ben ik met u eens dat Herbaren van Riede vernoemd zal zijn naar Herbaren van den Berghe. Chronologisch gezien is hij echter veel te jong om een kleinzoon te zijn. Zijn zus huwde ca. 1315 met heer Jan van Brakel en kreeg nog een hele rits kinderen. Hun ouders zullen derhalve pas midden tot eind jaren 80' zijn gehuwd. Dhr. Hoek maakt hen tot kinderen van Hendrik Splinter van Riede. Deze Hendrik komt in 1285 voor het eerst voor en zijn vader nog tot in 1290. Derhalve moet heer Anthonis van Riede van de generatie van Herbaren van den Berghe zijn. Ik moet daarbij opmerking maken dat ik in deze vaar op de bevindingen van Hoek uit 1969. Diens Van Riede-gegevens zijn slechts schetsmatig en de aansluiting van Herbaren van Riede op Hendrik Splinter een veronderstelling op basis van de naam Hendrik bij Herbaren's bastaardzoon.
19-1-2002
Van Berlaer
De veronderstelling dat Lodewijk van Berlaer een zoon was van Jan I heer van Helmond vloeit voort uit een schepenakte van 27.7.1383, waarin een aantal, met name genoemde, inwoners van Helmond een getuigenis afleggen over het recht om straten en stegen te meerderen en minderen. Deze getuigenis strekte zich al uit over de periode voordat Jan I in 1314 heer van Helmond werd en dat was dus minstens 70 jaar geleden. Als deze getuigen dit alles uit eigen waarneming konden verklaren, moeten ze allemaal stokoud zijn geweest! De vraag dringt zich op hoe betrouwbaar een verklaring van zulke oude lieden was. Was het allemaal wel gebaseerd op eigen waarneming of was wellicht een deel ontleend aan overlevering? Jan I van Helmond overleed rond 1328 en dat was dus bij het afleggen van de desbetreffende verklaring ook al 55 jaar geleden. (Ik zelf ben van 1932 en ik kan u verzekeren dat ik momenteel niet in staat zou zijn om beëdigde verklaringen af te leggen over zaken en situaties, die in 1947 hebben gespeeld!). Wie garandeert dat deze oude lieden echt wisten dat Lodewijk de zoon van Jan I van Helmond was en niet diens broer? Er behoefde maar één van hen te veronderstellen dat Lodewijk wel de zoon van Jan I zal zijn geweest (een vader wordt toch doorgaans door zijn zoon opgevolgd, nietwaar?) of het werd mogelijk door de anderen als vaststaand overgenomen, te meer daar zij het na 55 jaar wellicht ook niet zo goed meer wisten. Voor het beoogde doel (de getuigenis over het meerderen en minderen van stegen en straten) was het ook niet echt van belang en konden ze hun verklaring dus rustig beëdigen. De absolute betrouwbaarheid van de verklaringen van deze bejaarde Helmonders staat voor mij in elk geval niet onomstotelijk vast!
Aanvulling: 19-1-2002
Inzake de familie Van Berlaer wil ik de zaak eens omdraaien. Toon mij eens aan dat de traditionele opvatting klopt! Die opvatting inzake de Van Berlaers werd geventileerd in een tijd dat er nog geen oorkondeboeken en een kritisch wetenschappelijke benadering van het overleverde informatie- en bronnenmateriaal bestond. Zo moet de opvatting dat Jan van Berlaer door zijn broer Lodewijk werd opgevolgd terug te herleiden zijn tot Butkens. En dat is dan ook meteen een beruchte naam die heden ten dage garant staat voor wenkbrauwfronsen, Desalniettemin zijn er in de vorige twee eeuwen tal van veronderstellingen ontleend aan Butkens terecht gekomen in meer betrouwbare werkjes die daarna kritiekloos verder werden aangevuld zonder terugverwijzing naar Butkens.
Als men dus betrouwbaar wil overkomen dient men net als in Verdonks visie terug naar de bron te gaan naar een tijdstip waarin informatie rechtstreeks of heel nabij stoelt op betrouwbare feiten en gebeurtenissen. Derhalve is aan een getuigenverklaring uit 1383 meer waarde te hechten aan een opvatting uit medio 17e eeuw. Bovendien wees ik er u op dat er al een oudere leeninschrijving was uit de periode 1328-1335 die ook een opvolging heer Jan van Berlaer-zoon Lodewijk-zoon Jan schetst. Als doorgewinterde onderzoeker in Helmondse en Brabantse archieven heb ik geen enkele reden om te twijfelen aan hetgeen in die schepenakte werd beschreven. In een tijd waarin men nog moest gaan wennen aan op schriftgestelde verklaringen inzake gebeurtenissen, rechten en plichten, werd aan dergelijke getuigenverklaringen grote waarde gehecht.
Derhalve verbaasd me anno 2002 hetgeen u over de betrouwbaarheid van dergelijke verklaringen meent te moeten stellen. In de NL ben ik op tal van plaatsen, in artikelen inzake adellijke geslachten, getuigenverklaringen tegen gekomen en nergens werd er door een auteur a-priori een dergelijke getuigenis door tal van oudere en bekende inwoners in twijfel getrokken. Over de opgegeven leeftijden van de getuigenden valt soms wel wat op te merken maar aan de betrouwbaarheid van de gebeurtenissen, gewoonterechten of plichten niet. De doorgewinterde auteur Adam-Evèn gebruikt het zelfs als hoofdargument van zijn reconstructie. We kunnen de hedendaagse hectische wereld absoluut niet vergelijken met de monotone maar harde realiteit van de Middeleeuwen. Mij is me zelfs meermalen opgevallen dat bij bepaalde 13e en 14e eeuwse memorabele gebeurtenissen door de autoriteiten munten werden uitgestrooid voor de aanwezige jeugd om de gebeurtenis in mensenheugenis meer memorabel te maken.
Samengevat is er dus:
1. Een leeninschrijving uit de periode 1328-1335 die een leenopvolging schetst.
2. Een schepenakte uit 1383 die eenzelfde maar uitgebreidere opvolging schetst.
3. Een op Butkens te herleiden onbetrouwbare afwijkende opvolging uit medio 17e eeuw.
4. Een artikel in de NL van 1956 met een eerste kritische benadering en een reconstructie.
5. Een artikel in het Helmonds Heem van 1990 waarin ik eveneens een kritische benadering van de traditionele overlevering geef met een deels andere reconstructie.
19-1-2002
Van den Berghe/Van Riede
Het zal wel aan mij liggen, maar ik begrijp echt niet wat u er mee wint als u stelt dat Herbaren van Riede zijn voornaam ontleende aan de vader van zijn grootmoeder paternel [Margriet] van der Lede. Deze [Margriet] moet dan toch een volle zuster van Herbaren van den Berghe en zijn zusters Mabelia en [Alverade] van der Lede zijn geweest, want anders zou Herbaren van Riede en zijn zuster Margriet buiten de nalatenschap van Jan van Boenswart zijn gevallen! In uw optie doet het volgende schema opgang:
I N.N. van Riede Herbaren van der Lede
X X
N.N. Anthonisdr. N.N. van Voorne
van Gelmen
II Anthonis van Riede X [Margriet ] van der Lede
(1285-1290)
III Henric Splinter van Riede (1285)
X
N.N.
IV Margriet van Riede Herbaren van Riede
X ca. 1315
Jan van Brakel
In het geval van afstamming via Herbaren van den Berghe geldt het volgende schema:
I N.N. van Riede Herbaren van der Lede
X X
N.N. Anthonisdr N.N. van Voorne
van Gelmen
II Anthonis van Riede Herbaren van den Berghe
X X
N.N. [Elisabeth] van Heusden
III Henric Splinter van Riede X N.N. van den Berghe
IV Margriet van Riede Herbaren van Riede
Zoals u ziet behoren in beide gevallen Anthonis van Riede en Herbaren van den Berghe (volle broer van [Margriet] van der Lede) tot dezelfde generatie. De door u vermelde chronologische bezwaren worden dus geenszins opgeheven door de afstamming van Herbaren van Riede en zijn zus te leiden via een imaginaire dochter [Margriet] van Herbaren van der Lede! Alleen is de vernoeming naar grootvader Herbaren van den Berghe mijns inziens een logischer optie dan een vernoeming naar overgrootvader Herbaren van der Lede.
Aanvulling: 19-1-2002
Inzake de vernoeming van heer Herbaren van Riede is uw constatering correct. Ik heb of te gehaast geschreven of last van typeblindheid gekregen waardoor ik vader Herbaren van de Lede en zoon Herbaren van den Berghe heb verwisseld. Uit de strekking van mijn (eerdere) betoog en de geschetste plaatsingen op de genealogische tijdsbalken valt echter duidelijk op te maken dat het heer Herbaren van der Lede betreft die als vader van [Margriet van der Lede], gehuwd met heer Anthonis van Riede, aan te merken zal zijn. We beschikken echter over schaars informatiemateriaal inzake de familie Van Riede zodat veel veronderstellingen (van wie dan ook) een vrijblijvend karakter hebben. Gezien de vermeldingsperiode van heer Herbaren van Riede en de huwelijksdatering van zijn zus Margriet, en de verwantschap tot Jan van Boenswart, zullen zij echter hoogstwaarschijnlijk achterkleinkinderen van heer Herbaren van der Lede zijn geweest.
Ik zie heer Herbaren van Riede - gezien zijn voornaam - ook als een oudste zoon van Hendrik Splinter van Riede. Hij zal eerder de oudste (en enigste) in leven gebleven zoon zijn geweest. Als jongere zoon kan hij best naar zijn overgrootvader (Herbaren van der Lede) of naar zijn vaders oom (Herbaren van den Berghe) kunnen zijn vernoemd.
We zijn ook niet bekend met de naam en afkomst van de vrouw van Hendrik Splinter van Riede. Ook zij kan theoretisch gezien de naam Herbaren hebben ingebracht. De voornaam Herbaren is niet alleen beperkt tot de familie Van Arkel. Ik heb de naam ook gezien in de families Van der Woert en Van Drongelen.
|
|