Stichting van der Merwede

Stichting van der Merwede
Home genealogy Groups SvdM DNA News Forums Guest Book About the Order

Other Features

Voorouders Top 50

This is a Genealogy site.

Top 100 Genealoy Sites


Fight Spam! Click Here!

 





Doodslag op de Ridderhofstede



De erfenis

Vrouwe Odillia van der Merwede, was de oudste dochter van Heer Diederick van der Merwede en Vrouwe Chatarina van Ranst. Zij werd geboren omstreeks 1405. Reeds in 1446 werd zij beleend met een vierde van de Heerlijkheid van Houtain -le-Val, haar aangekomen van haar oom, ridder Guillaume de Ranst en haar moeder.


Na het overlijden van haar dierbare vader op 24 mei anno 1452, erft zij diens leenen, althans het merendeel er van, want haar jongere zuster Johanna erfde de Heerlijkheid Burgst onder Prinsenhage bij Breda. Dit was een goed dat reeds geruime tijd in het bezit van de familie Van der Merwede was. De eerste vermelding vinden we in een document uit 1265. Oorspronkelijk bestond het goed uit drie grote boerderijen. Twee hiervan stonden op een verhoging, die was omringd door een wal. Het oorspronkelijke kasteel wordt genoemd in 1304 en was omgeven door singeltjes. Deze waren bedoeld om het huis tegen overstromingen te behoeden. Het Blokhuis, zoals het in de vijftiende eeuw genoemd werd, was een bescheiden woning, bewoond door de Heren van Burgst, die niet in staat waren een echt kasteel te bouwen, maar desondanks wel onafhankelijk bleven van de Heer van Breda.

Vrouwe Johanna van der Merwede huwde op 25 mei 1432 met Heer Philips van der Spangen. Zijn Huis stamde uit de Burggraven van Leiden. Zelf was hij Heer van Spangen en Vlijmen en bewoonde het Slot Spangen. Tevens was hij ook lid van de heemraad van Schieland en de Raad van de Hove van Holland te ’s Gravenhage, zoon van Heer Engelbert van Spangen en Vrouwe Stefana van Alkemade. Vrouwe Johanna stierf helaas kinderloos in 1476 en bracht bij leven haar man de goederen Burgst en ’s Gravenmoer aan. Deze laatste was maar liefst 160 morgen groot. In de leenregisters van ’s Gravenmoer staat:

“ een vidimus op Philips van Spange van de eerste gifte van de Hooge Heerlicheyt van ‘s Gravenmoer gedaen Dirck van der Merwede Philips wijfs.”

Odillia en Johanna hadden ook drie halfbroers: Jan, Claes en Daniël van der Merwede. Zij waren door Heer Diederick van der Merwede verwekt bij Vrouwe NN. van Uytwijck, met wie hij na het overlijden van hun moeder een innige relatie onderhield. Jan was genoemd naar zijn oom Jan, Claes naar zijn opa en Daniël naar de aloude leenopvolgers van de Heerlijkheid Merwede. Zij hadden toestemming gekregen van hun vader om na diens overlijden op het slot Meeuwen te blijven wonen:

“ onder gemeenschappelijk genot hunner goederen, op voorwaarde dat zij Vrouwe Odillia als hoofd van de familie zouden erkennen en haar alsook harer zuster Johanna, indien die komt medewonen, dienen zullen gelijk thans hun vader “.

Bij leven had hun vader van Hertog Philips vergunning ontvangen om het Ambacht Zuydwinde in recht leen aan hen uit te geven, waarmee in feite bedoeld was, in achterleen want Vrouwe Odillia van der Merwede was hoofdleenhoudster en er mede beleend op 3 oktober 1453. Om Zuydewijn is veel te doen geweest. De Heerlijkheid Zuydewijn was eerder in 1432 door Heer Floris van Wijffliet overgedragen aan Heer Dirck van der Merwede. Willem van Ghent, familie van Heer Jan van der Zijdewijn, oorspronkelijk Heer van Zuydewijn, was daar fel tegen gekant geweest zodat op 2 augustus 1438 Godschalk Oem, Rentmeester-Generaal van Holland en Heer Floris van Kiefhoeck met goedvinden van Heer Dirck van der Merwede hun uitspraak waarbij aan de laatste het Ambacht van Zuydewijn was toegekend, in die zin aan te vullen dat de tegenpartij in persoon van Willem van Ghendt, de tienden van dat Ambacht mocht hebben.

Na haar vaders overlijden erfde Odillia voor zover het leenen van de Grafelijkheid van Holland betrof de volgende goederen:

- De Heerlijkheid van Eethen en die van Meeuwen en van Babilionienbroeck en alle Gerechten. - De lage Heerlijkheid van Drongelen. - 100 pond jaars uit de burcht van Meeuwen - Een Hoeve Moers - De hooge en lage Heerlijkheid van ’s Gravenmoer en van Vijftienhoeven Moers “die Lueden Hendrickz placht toe te behooren ” ( Hendrik Luydenambacht ) - De Ambachtsheerlijkheid van Zuydwinde met de gronden van Acht Hoeven Moers, zoals die gelegen zijn achter het voorsz. Ambacht . - De Ambachtsheerlijkheid van Monsterkerk met de winden, visscherijen, tienden enz. aan beide zijden van de Dussen in Zuid-Holland. - Het recht vierendeel van de helft in “alsulcke wildernisse” enz. in de grote Waard van Zuid Holland. - Nog 15 hoeven en 5 hoeven moers met de Ambachtsheerlijkheid in Den Ham tot ’s Gravenmoer. - Nog 5 hoeven moers en wildernisse nevens het Ambacht van Waspik, alle hoeven houdende 16 morgen.

Deze belening had plaats op 18 oktober 1453 en als haar hulder trad toen op Heer Aernt van Wijck van Honsoirde. Reeds van te voren was zij door Johan, Graaf van Nassau als Heer van Leck en Polanen, beleend met 10 hoeven moers en wildernissen en de coalitie van de kerk van ’s Gravenmoer en de Wel op 21 juli 1452. Tevens werd zij ook Vrouwe van Waalwijk en was ook in het bezit van Kasteel Zevenbergen bij Ranst.


Kwaad bloed


Reeds in 1454 kreeg Vrouwe Odillia een geschil met de buren van Wijck, waarin de mede betrokkenen waren, haar halfbroeders Jan en Claes van der Merwede en waarvoor zij op 30 april 1453 procureurs benoemde.

Als haar tegenpartij trad daarbij op Heer Willem Spierinck met Heer Aernt van Wijck, Heer Jan van Wijck en Heer Jan Spierinck.

Dit proces was als het ware een voortzetting van een proces door Heer Willem Spierinck, gevoerd tegen haar vader. Dat zoiets kwaad bloed had gezet ten Huize van Vrouwe Odillia op het slot te Meeuwen, bleek wel uit het feit dat zij in maart van het jaar 1455 haar beide broers Jan en Claes tegen Heer Willem opzette en beide als gevolg van dit aanstichtten, Heer Willem Spierinck van Wel nadat ze hem eerder op hun slot hadden uitgenodigd, ter plekke doodsloegen. De gevolgen daarvan zouden niet uitblijven……

Vrouwe Odillia werd samen met haar broeders Jan en Claes aangehouden door de soldaten van Heer Philips de Goede, Hertog van Bourgondië en vervolgens gevankelijk afgevoerd. Het moet voor haar een diepe vernedering zijn geweest om op deze manier te worden afgevoerd, maar de haat jegens ridder Willem Spierinck zat diep en voor haar gevoel zal zij haar vader hebben gewroken van de aangedane smaad. De eer van de familie was in het geding.

Zij werd eerst gevangen gezet in het kasteel te Heusden, waar haar vader eerder burggraaf was geweest, en daarna in Den Haag en vervolgens te Gouda. Van Heer Jan, haar halfbroer is bekend dat zij hem gevankelijk wegvoerden naar Brussel waar hij in slechte omstandigheden omstreeks 1456 in de gevangenis aan zijn einde kwam. Daarmee kwam aan wat aanvankelijk een veelbelovend leven leek een onverwachts en droefelijk einde.


Jan van der Merwede - Heer van Zuydewijn


Met Heer Jan zijn overlijden kwam de Heerlijkheid van Zuydewijn waarmee zijn zuster Odillia hem op 2 januari 1455 had beleend, terug in handen van de familie waarop Heer Claes, Jans broeder, later amok maakte omdat hij daar meende aanspraak op te kunnen maken, wat weer aanleiding gaf tot ontsteltenis en onenigheid in de boezem der familie.


Heer Jan werd voor de eerste maal vermeld op 29 juli 1437, wanneer zijn vader aan hem en zijn broeder Claes 20 Rijnlanse guldens ’s jaars maakt uit zijn leengoederen, welke door Philips van Bourgondië werden bevestigd. Vervolgens werd Heer Jan genoemd in een akte van 10 september 1444 wanneer zijn vader toestemming krijgt zijn Ambachtsheerlijkheid Zuydewijn te mogen nalaten aan zijn zoons Jan, Claes of Daniël ofwel gezamenlijk, of aan twee of een van hen.

De 27 mei 1446 wordt heer Jan dan beleend met een rente, die zijn vader vroeger gekocht had van Heer Willem van der AA.

Daarna volgde de belening met de Heerlijkheid van Zuydewijn, wanneer Heer Diederick - ingevolge het hem verleende octroy - Heer Jan op 4 maart 1449 beleent met de bepaling, dat dit leen zal versterven op zijn wettige nakomelingen en bij gebreke daarvan op Heer Claes, zijn broeder of aan Heer Daniël en hun wettig oir. Iets wat na Heer Jan zijn dood in de gevangenis te Brussel, een bron werd van dure en lastige geschillen.

Op 17 mei 1449 deed zijn vader hem wederom een schenking, wanneer hij aan Heer Jan en Claes een aanwas in de Maas in het land van Heusden, welke Heer Dirck in erfpacht had van de grafelijkheid van Holland, voor Schepenen van Heusden opdroeg.

Behalve het reeds genoemde leenbezit had Heer Jan nog meer goederen leenroerig aan de Heerlijkheid van Leck en Polanen. Op welk ogenblik hij dit goed verkreeg is onbekend. De goederen kwamen in ieder geval na diens dood en nadat het bekende proces tegen vrouwe Odillia beëindigd was, weder vrij en laatstgenoemde ontving ze dan ook in leen van de graaf van Nassau op 21 juli 1462.

Heer Jan is helaas nimmer gehuwd geweest en voor zover ik weet heeft hij ook geen kinderen nagelaten. Zijn bekende leengoed Zuydewijn kwam toen, op grond van bepalingen van zijn vader en nadat Heer Claes van zijn rechten afstand had gedaan, uiteindelijk toe aan diens jongste broeder Daniël.

Ook had hij een Huis in Eethen, “Die Haghe ” genaamd en waarvan bekend is dat dit huis ettelijke jaren na diens dood, leeg heeft gestaan, een vrij ongebruikelijke situatie in die tijd.


Claes van der Merwede - Heer van Baerdwijck


Heer Claes werd immers gepardonneerd zoals blijkt uit een akte van het Hof van Holland uit 12 oktober 1558, wanneer hij de voor hem verleende remissie van “2150 gouden clinckaerts” betaalde. Zijn borgen waren allen mannen uit gegoede families uit den lande van Altena:

Aernt van Wijck upten Berck Willemz. Hendrick van den Brielre, Jan van der Hulst, Jan Spierinck, Wemmer Aerentsz, Arent van Wijck upten Berch en Willem diens broeder, Cuyst Arentz, Claes van Heeswijck, Jan van Mallant, jan Buys Goessensz, Adriaan Liefmansz, Rutger Dircksz, Jan de Wilde Mallantsz. Jan de Mommer, Gerryt van der Moelen, Geryt en Jacob van Dobben.

Uiteindelijk had Heer Claes meer geluk dan zijn broer Jan, ook al lieten de Spierings hem niet met rust aangezien die het niet eens waren met de remissie van de Hertog van Bourgondië waarvan Claes zijn vader ooit tot diens Raad behoorde en ook diens Kamerling was.

Heer Claes werd eerder door zijn vader in de gunst gesteld door de schenking van het dorp en de Heerlijkheid van Baardwijck, waartoe Heer Dirck dit leen opdroeg aan de grafelijkheid en belening voor zijn zoon verzocht onder voorbehoud van het vruchtgebruik gedurende ’s Heeren Dirck’s leven. Heer Diederick was goed voor zijn zonen, maar niet gek.

Claes werd er dientegevolge op 16 oktober 1447 mee beleend. Na diens gevangenschap is hij gehuwd met Vrouwe Margaretha Willem Bogaertsdochter. Hij tochtte haar aan zijn inkomsten van zijn Heerlijkheid Baardwijck op 3 april 1449.

De Spierincks lieten hem toen ook niet ongemoeid want in datzelfde en het daaropvolgende jaar spanden ze processen tegen hem aan.

Vrouwe Margaretha was de dochter van Willem Bogaert Willemsz., houtkoper te Dordrecht, schepen en tresorier aldaar en van Vrouwe Machtelt van Asperen Ottendochter.

Haar ouders vind men in een handschrift van Schaep in het archief van den Hoge raad van Adel, den naam van de moeder van Willem Bogaerts vrouw een zekere Jonckvrouw Machtelt vermeld, gehuwd geweest met een onbekend, althans niet genoemde man en nu hertrouwd met zekere Willem Pietersz., terwijl tevens verwantschap blijkt met Heer Floris van der Dussen, schout van Dordrecht ( Aernt Wenemaerszoon ) van wiens dochter t.w. Jonkvrouw Machtelt van Haeften Florisdochter van der Dussen de bovengenoemde Willem Bogaert Willemszoon in 1471 het leen Cleyn Crayenstein erfde dat op 23 oktober 1474 op Willems kleindochter, de oudste dochter van Heer Claes van der Merwede, zou vererven.

Op 8 juni 1462 komt Heer Claes nogmaals voor in een acte, wanneer hij aan Jan Duyck Willemszoon de Corte Bruyckaert overdraagt zijnde een blok tienden te Eethen, oorspronkelijk afkomstig van heer Willem van Boxtel en later in het bezit van Heer Hessel Godertsz. van Drongelen, die het goed aan Heer Claes verkocht had. Het goed wordt dan tevens ontheven van de tocht, die Heer Claes vrouw Margriete Willem Bogaertsdochter daaraan had.

Omstreeks 1474 moet Heer Claes zijn vrouw zijn verloren, zij is zeker dood in december 1474, dit in verband met het versterven van Cleyn Crayenstein.

Niet lang daarna gaat Heer Claes er toe over enige beschikkingen te maken ten aanzien van zijn na te laten goederen. Ingevolge een octroy van de leenheer verkregen bij acte van den Bosch 21 januari 1479 maakt hij op 28 juni 1479 een testament, waarin hij o.a. over zijn Hollandse lenen beschikt. Als voornaamste ergename wijst hij aan zijn oudste dochter, die dan reeds gehuwd is met Mr. Cornelis de Jonge. Zij zal Baarwijck erven, terwijl beide andere dochters samen vier hoeven moers zullen krijgen.

Heer Claes leefde de rest van zijn leven rustig in zijn Heerlijkheid en komt in akten eerst weer voor op 18 januari 1494, wanneer hij het laatstgenoemde leengoed belast met 3 mud rogge per jaar ten behoeve van de kinderen van wijlen Dirck Bruynbaerts van Poederoyen en diens weduwe Aechte Willemsdochter van Assche “omme diensten wille “, welke beschikking door de graaf van Holland als leenheer wordt bekrachtigd op 21 april 1494.

Op 8 juni 1498 legt hij als leenman nog een getuigenis af ten behoeve van Willem van Maerle Medaertzoon in verband met een overdracht van leengoed.

Heer Claes is nog in leven omstreeks november 1500 en is zeker overleden in april 1501.


Pucelle et âgée de plus de cinquante ans


Vrouwe Odillia zou het minder goed vergaan dan Heer Claes haar halfbroeder. Op 21 maart van het jaar 1456 ( = 57 het Hof gebruikte de Paasstijl ) en de daaraan gegeven uitvoering door het Hof van Holland 30 april 1457, gaf Philips de Goede, Hertog van Bourgondië in diens hoedanigheid als Graaf van Holland, “Pardon ” aan Vrouwe Odillia. De eerste brief draagt tot opschrift: “Roerende der Jonckvrouwen van der Merwede hoe dat sij van de gevangenisse geslaect is ”.

Na de gebruikelijke inleiding deelt Philips van Bourgondië aan de Heer de Lannoy en andere raadslieden mede: “de la partie de moiselle Odelye de le Merwede fille de feu messire Thierry ” hoedat zij ongeveer een jaar geleden gevangen werd gezet op het kasteel te Heusden, daarna Den haag en vervolgens te Gouda, waar zij nu nog is en dat er beslag is gelegd op al haar goed een en ander:

“ touchant le cas et meurdre par avant commis et poetre en la personne de feu Guilliaume Spierinck par les bastars de le Merwede et aultres leurs complices, duquel meurdre procureur maintient la dite exposant estee coulpable, sachant et sonsetant. «  Et it soil aussi que icelle exposant quiestencore pucelle et agee de plus de cinquante ans qui oncques ne eust aucune eutre mise fors seulement Seigneur dieu « ect.

Op haar nederig verzoek stelde de Hertog haar in vrijheid tegen de voor die tijd bijzonder hoge boete van “dix mille escus d’or “…. alsof het niets is !!

Volgende uit de brief van het Hof van Holland dd. 9 april 1458 blijkt deze fabelachtige som inderdaad te zijn gestort. De heerlijkheden van Vrouwe Odillia kraakten in al hun voegen ! Na deze pardonbrief volgde het vonnis van het Hof waarbij zij “geslaect ” werd van “de gevangenesse “ op dato 30 april 1457. Haar borgen worden in deze brief eveneens vermeld. Het waren de volgende ridders:

Heer Gerrit van Poelgheest, heer Willem van Langerak, Heer Marten van poederoyen, Heer Hendrick van der Does, Heer Geryt Chrispijnsz. Heer Robbrecht van Drongelen, Heer Jans Aertszoon, Heer Symon Aerentz, Heer Aelbrecht van Naeldwijck en heer Jan van der Mije.

Desondanks zou het toch nog 1 jaar duren alvorens Vrouwe Odillia werkelijk in vrijheid werd gesteld. In de middeleeuwen hadden ze alle tijd ! Blijkens de reeds hierboven vermelde akte van het Hof van 9 april 1458 waarin de Hertog 9 maart 1458 vanuit Brugge o.a. schrijft:

“Nous avons ordonne et appointtie que la dicte damoiselle soit eslargie de prison moyennant caucion juratoire quelle sera tenue de baillier en voz mains de comparoir en personne a toutes journees qui lui seront assignees par devant nous et les gens de notre grande Conseil estant lez nous sur peine de confiscacion de corps et biens » ect.

Een en ander was een gevolg van een schrijven van 25 februari , mede in het Frans , waarin gezegd wordt dat zij reeds meer dan anderhalf jaar gevangen is geweest, dat zij aan ’s Hertogs bevel had voldaan en een grote som gelds in de stadhouders van Holland had gestort, terwijl zij ten aanzien van het haar ten laste gelegde nog verklaard:

«  Toutes voies la dicte suppliant soy sentant est vraiement pure et innocente d avoir perpetre le cas on lui impose, ce quelle doit clerement apporoir par que depuis demyan en ca ou environ Monsieur de Nassau Sénéchal de Brabant amena en la ville Brouxelles ung prisonnier, lequel avoit este ung ceulx qui avoit occis et mis a mort Guilliaume Spierings lequel prissonier fut....( interroge ? ) et examinee la presence du procureur-generale de mon dit Seigneur et aussi de Monsieur de Nassau paur savoir sil geroit aucunement la dite suppliante, mais icelle prissonier prit ( ? ) jurer sur sa mort que la dicte suppliar estoit de ce pure et innocente du dit cas « . enz

Zij werd hierop 9 april 1458 definitief ontslagen. Heer Robbrecht van Drongelen trad als vriend van de familie bij deze acte op als haar “vercoren voich ”.

Het is ook bekend dat Vrouwe Odillia in 1456 deels haar gevangenschap in arrest doorbracht bij Heer Bartholomeus Pertrant, rentmeester van Noord Holland, toen wonende in Den Haag, nadat zij zoals eerder vermeld in het kasteel van Heusden gevangen had gezeten.

Vrouwe Odillia was evenals haar voorouders zeer gelovig Katholiek. Zij vroeg toen ook om haar Pasen te mogen houden, waarna haar vergund werd “simpelick ter kercke te moghen gaen ende den dienst Gods te mogen hooren ”, dit op voorwaarde dat zij daarna onmiddellijk in het Huis van Heer Barthelomeus Pertant zou terugkeren.

Zij moest zich als gevangene blijven beschouwen, mocht geen ruggespraak met anderen houden op gevaar van anders zonder vorm van proces veroordeeld te worden. Haar proces duurde uiteindelijk drie jaar, en eindigde met haar vrijlating.


Teloorgang van de Heerlijkheid Meeuwen


De zeer grote boete die haar was opgelegd door de Hertog bleef niet zonder gevolgen voor haar. Teneinde de kosten gemaakt ten huize van Pertant te voldoen, verkocht zij de hoge Ambachtsheerlijkheid van ’s Gravenmoer en toebehoren, waarna Pertant daarmede werd beleend op 13 april 1462. In 1471 werd Heer Philips van der Spangen er op zijn beurt door Heer Barthelomeus Pertant, mee verlijd. Drie jaar na de dood van diens vrouw Johanna van der Merwede, vinden wij dat hij er in 1479, een jaar na zijn huwelijk met Vrouwe Anna van Grimbergen , Heer Cornelis van Bruhese mee verlijdde. Johanna was overleden op 10 september 1471 en begraven in de Grote Kerk te Breda.


Al eerder had Vrouwe Odillia op 30 november 1461 Heer Hendrik Ludenz. Ambacht bij Waspic, verkocht aan Heer Tielman Oem van Wyngaerden waarna het in 1473 eveneens in bezit kwam van Heer Philips van Spangen.

In 1461 was zij ook wederom in een proces verwikkeld nu met ridder Raso van Borchove namens diens vrouw Hadewich van Drongelen. Zij was de dochter van Heer Jan van Drongelen, in leven Heer van Eethen en Meeuwen uit diens tweede huwelijk met vrouwe Maria van Schoonhoven.

Aangezien Heer Jans dochter uit zijn eerste huwelijk zijn leengoederen zou erven, had hij ten behoeve van die tweede vrouw en haar kinderen, de heerlijkheid van Eethen en Meeuwen belast met een jaarlijkse schatting van 200 gulden om die na zijn dood te ontvangen. Toen Jans dochter uit zijn eerste huwelijk de Heerlijkheid had verkocht aan Heer Dirck van der Merwede bleef die schuld bestaan en na het overlijden van Heer Jan en zijn tweede vrouw was het recht van die 200 gulden ’s jaars verstorven op Hadewich.

Hiervan was Vrouwe Odillia in gebreke gebleven, na de dood van Vrouwe Maria van Schoonhoven had zij de betalingen gestaakt, met alle gevolgen van dien. Vrouwe Maria was in 1458 gestorven en dit proces werd begonnen op 7 september 1463, zoals, hierboven reeds beschreven, jaren waarin Vrouwe Odillia met grote financiële moeilijkheden te kampen had.

Vrouwe Odillia zei ondermeer dat de Heerlijkheid Meeuwen “overbelast ” was en niet meer waard zou zijn dan “100 clinkaerts ” per jaar. Tevens blijkt uit het proces, dat zij onderhands de Heerlijkheid had opgedragen aan Heer Robbrecht van Drongelen Pietersz. Van welk transport echter in de leenregisters van Holland, geen spoor te vinden is. Zij drukte dit als volgt uit:

“ dat zij ( Odillia ) die voors. Heerlicheeden opgedraghen ende getransporteert heeft Robbrecht van Drongelen, die welks dat opten dach van huyden proprietaris des voors, heerlicheden is ende hem over sulc voir den voors Hove van Holland bekend heeft gelyck dat blijcken mach bij de acte daarvan gemaect, hoewel nochtans dat die voorn Jonckvrou Odelye die voors. Heerlijcheden op den dach van huyden besittende is ”.

De uitspraak van het Hof van 19 okt. 1465 stelde Vrouwe Odillia in het ongelijk, Raso mag de Heerlijkheid aanvaarden tegen betaling van 50 Vrankische cronen ’s jaers aan Odillia, maar zal sijn 1200 gulden achterstallige rente ontvangen. Ook onderhield zij samen met haar zuster Johanna betrekkingen met het klooster van Mariëncroon waar zij voorkomen op een akte van 6 mei 1461.

Helaas waren Vrouwe Odillia’s financiële problemen niet ten einde want wederom verkoopt zij leengoed, nu het “recht achtendeel ” vermeld in de voormelde lijst van leengoederen hetwelk zij 22 augustus 1469 overdraagt aan heer Adriaan Screvel, die reeds een deel bezat. Daarna moest Drongelen, Eethen en Meeuwen wegens de er op rustende schuld, verkocht worden, hetgeen tot Vrouwe Odillia’s grote droefheid ook geschiedde en waarna Heer Adriaan van Drongelen, de zoon van de voornoemde Heer Robbrecht Pietersz. van Drongelen het bij opbod kocht om op 8 maart 1474 er mede beleend te worden.

Ook het Ambacht van Monsterkerk mocht niet gespaard blijven, op 29 juli 1474 draagt zij, bijgestaan door Heer Philips van Ranst, ten behoeve van Heer Jan van der Dussen, schout van Breda, het Ambacht Monsterkerk met toebehoren over en waarmee laatstgenoemde op 6 december 1474 werd beleend.

Of Vrouwe Odillia haar laatste levensjaren in Eethen of Meeuwen is gebleven is niet bekend, zij moet in ieder geval in september 1477 zijn overleden en werd vervolgens bijgezet in de tombe van haar vader. Een vader die zij haar hele leven op handen heeft gedragen en die voor haar het evangelie was, met wie zij een bijzondere band had; Vrouwe Odillia heeft nimmer behoefte gehad aan een andere man in haar leven, zij is nooit gehuwd. Haar vader stond voor alles wat haar begeesterde en terecht was hij ook iemand om zeer trots op te zijn.

Verbittert moeten de jaren na diens overlijden zijn geweest, de haat en de wraak jegens Spierings van Wel en de daaropvolgende processen, de vernederingen die ze moest ondergaan door haar gevangenschap en het verlies van alle destijds door haar vader verkregen heerlijkheden; de dood van haar broeder Jan in de gevangenis te Brussel, het levenslot van eenzaamheid die ze moest bewandelen en het wellicht niet te versmaden altijd durende verlangen naar een vader die er niet meer was. Haar jeugd had ze aan hem opgeofferd :

“Odelye de le Merwede, une pucelle de plus cinquante ans “ zoals ze staat omschreven in een van de processtukken …..laat zien dat ze niet van de jongste meer was.

Desondanks is ze manmoedig tot het laatste doorgegaan; is het spijtig dat er geen overleveringen van haar zijn bewaard gebleven want wellicht zal ze ook manmoedig de dood , na alle lijden, als een welkome gast, onder ogen hebben gezien.

Ondanks haar pienterheid en schrandere geest schijnt zij op haar zaken weinig meer op orde te hebben gesteld. Haar halfbroeders Claes en Daniël wenden zich tenminste tot de Hertog als Graaf van Holland en als zodanig opperleenheer om belening te verkrijgen.

Zo compareert op 7 november 1478 Heer Claes van der Merwede Heren Dirckszoon, zeggende dat hij van wijlen “ Jonckvrouw Odelye de rechte helft van acht hoeven moers hield “ende also Jonckfrouwe Odelye voorn. Aflijvich is geweest enen sekeren tijt ende niemant als haer leenvolger hair leenen, die zij van ons te houden plach versocht ” hij nu de belening vraagt aan de Grafelijkheid van Holland. Hetzelfde doet Heer Daniël van der Merwede voor de resterende helft van de acht hoeven moers en voor Zuydewijn. Hierover is helaas voor Claes en Daniël, door Heer Adriaan van Drongelen, bijgestaan door Jan Millinck, maar liefst negen jaar lang, proces gevoerd. Adriaan van Drongelen had dan wel geen beleningsakte, zoals die van Daniël hierboven vermeld, maar hij was zo bijdehand om deze achteraf, op 10 februari 1481, door Keizer Maximilliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondie, alsnog te laten bevestigen dat zij op 7 november 1478 was beleend, zodat hij, althans in dat opzicht, niet bij zijn tegenstander ten achter stond. Toen het proces uiteindelijk voor de vierschaar kwam op 3 augustus van het jaar 1487, resulteerde het voor Daniël bastaert van der Merwede uit, in zijn voordeel.

Op 29 november 1478 ontving ook Heer Philips van Ranst zijn leen van 2 hoeven moers, dat hij van Vrouwe Odillia hield, terwijl hij tevens werd beleend met de Heerlijkheid van Eethen, Meeuwen, Babiloniënbroeck, het slot te Meeuwen en ook de Ambachtsheerlijkheid van Drongelen, die hij door koop verkreeg van Heer Adriaan van Drongelen hiervoren genoemd, waarna hij op dezelfde dag zijn Vrouwe Odilia van Drongelen , dochter van Robert van Drongelen Pieterszoon en Vrouwe N. van Duffel, aan de mindere helft van de genoemde leengoederen tocht.


Daniël van der Merwede – Heer van Zuydewijn


De bloedlijn van de Van der Merwedes werd door Heer Claes helaas niet in mannelijke lijn voortgezet, want hij kreeg uit zijn huwelijk met Vrouwe Margaretha Bogaert slechts drie dochters. Of hij zonen had is ons niet bekend.

Zijn jongste broer Daniël daarentegen, zette de naam “van der Merwede “ in rechte mannelijke lijn voort. Hij huwde omstreeks 1480 met Vrouwe Agnes van Bruheze, dochter van Heer Rutger van Bruheze en Vrouwe Margaretha van Wijck Jansdochter. Heer Daniël verwekte 8 kinderen bij haar. Vrouwe Agnes was reeds voor 1497 overleden, daar in dit jaar Heer Daniël hertrouwde voor 2 mei 1497 met vrouwe Elisabeth van der Haer, weduwe van Medaert van Merle. Hij maakte haar op die datum de lijftocht van 50 schilden per jaar te heffen uit het bekende leengoed de 4 hoeven moers te Capelle. Hij sterft in 1511.

Vrouwe Elisabeth overleefde haar man tot 28 april 1514, nalatende een enige dochter uit haar eerste huwelijk genaamd Josina van Maerle, die haar leengoed erfde.

Tussen zijn twee huwelijken door verwekte Heer Daniël nog een bastaard, Cornelis Daniëlszoon van der Merwede genaamd. Hij wordt vermeld in een door hem afgegeven schuldbekentenis van 24 maart 1534, waarin hij genoemd wordt: “Cornelis van de Merwede wylen Danels van de Merwede natuerlic sone ” en was schepen in de Palen van Etten. Als zodanig zegelde hij op 8 maart 1547.

Noemenswaardig is dat Heer Daniël van der Merwede in 1477 staat vermeld onder “de edelen en ridderschap ” van Holland en zijn familiewapen in vol ornaat mocht voeren. Zo werd hij een volwaardige opvolger van zijn vader. Spijtig is dat hij naast zijn Heerlijkheid Zuidewijn, geen leenopvolger is geweest van het Huis Meeuwen, noch de kans heeft gezien om het voor de familie te herwinnen. Krediet mogen we hem geven voor de eer en de reputatie van de familie die hij wist te herstellen, maar nog meer voor het feit dat dank zij hem, het geslacht van der Merwede, tot op heden is blijven voortbestaan.