Op zondag 7 juli 1613 werd Matthijs van der Merwede, Heer van Clootwijk, geboren te Geertruidenberg. Hij was de zoon van Johan van der Merwede Heer van Clootwijk en Vrouwe Kornelia Willemsdochter de Berber. Matthijs was de enige zoon, maar had nog twee zussen, Emerentia en Margaretha. De eerste zou later huwen met vrijheer Otto Hoynck van Papendrecht en Margaretha met Mr. Maximiliaan van de Meer van Berendrecht.
Zijn vader was net als zijn voorouders leenopvolger en leefde in het cultuurhistorische besef van zijn familie. In 1585 had hij het geruïneerde adellijke Huis van Clootwijck; gelegen in het Land van Altena, bij Almkerk-Uytwijck, wederom doen ophalen, maar herkreeg helaas niet de kans het in zijn oude luister te herstellen.
De St. Elisabethsvloed had het merendeel in 1421 volledig onder water gezet zodat het grootste deel van het voormalig landgodb niet meer te redden was. Desondanks heeft hij, zijn voorgeslacht indachtig, het wel serieus geprobeerd, kosten noch moeite bespaard. Van de oorspronkelijke 70 morgen Land heeft hij er maar liefst 55 weten te herstellen.
Matthijs zijn opa, naar wie hij was vernoemd, heeft hij bij leven nooit gekend maar van de verhalen wist hij dat deze nog altijd belangrijk genoeg was geweest om burgemeester te zijn van Geertruidenberg en ook Rentmeester op de domeinen van Prins Maurits van Oranje te Oosterhout, Dongen en Geertruidenberg, en ook van diens uitgestrekte visserij in de Grote Waard. Opa bewoonde net als Matthijs zijn vader, het slotje Brakestein te Oosterhout, en overleed er op 3 februari 1611. Diens gade, Vrouwe Hendrica van Dommelen overleefde hem lang daarna tot 8 febr. 1637. Matthijs moet zijn oma dus goed hebben gekend. In 1650 kreeg bet slotje vreemd genoeg, de naam " Spijtenburg ", en werd ook "het huys van Clootwijck" genoemd. Het slotje lag op boek van de Ridderstraat en de Keiweg en is helaas gesloopt omstreeks 1818. Het was: " omwatert wesende, met hoff, boomgaart, schure, brouwerije met een bunder lands genaamt de Weyde ende den Gheer; gelegen in de Ridderstraat alhier s'Heerenstaart oist ende noortwaarts"
De familie van der Merwede van Clootwijk, was in 1573 m Geertruidenberg terecht gekomen. Dit kwam doordat Opa Matthijs zijn vader Pieter, toen samen met Luitenant-Generaal Poyet, bij verrassing, fa stad Geertruidenberg voor Willem I, Prins van Oranje hadden ingenomen. Hij woonde toen in een huis op de plaats van de vroegere marktkazerne, maar was geboren in Dordrecht. Als beloning mocht bij de goederen van de Prins beheren en was daarnaast ook schout van Geertruidenberg en Dijkgraaf van het land van Altena.
Pieter maakte ook een mooi heraldisch tekenboek dat nog steeds bestaat. Het is thans in het bezit van het Centraal bureau van genealogie te 's Gravenhage en kan daar worden ingekeken op de kamer van de heraldiek.
Veel Van der Merwede's, stammende uit de diverse takken der familie; dienden in die tijd onder de Prinsen van Oranje die zij zeer toegewijd waren in de meest veelzijdige en Uitmuntende functies. Zij waren lid van de Hollandse ridderschap en moeten elkaar goed hebben gekend, ook al woonden zij in de Republiek der Nederlanden, verspreid van Groningen tot Brabant en deden zij het aloude geslacht opluisteren.
Onder Prins Willem III zou Heer Adriaan van der Merwede, die niet alleen een vriend, maar ook kapitein van diens lijfsgarde was, de oude rechten van het geslacht weer opnemen. Hij was de eerste in het geslacht die zich "Baron mocht noemen, overerfbaar op al zijn nageslacht.
In tegenstelling tot de familie van Matthijs voerben zij wel de oorspronkelijke kleuren van het familiewapen in vol ornaat; alleen hebben sommigen onder hen zich de heraldieke vrijheid toegemeten om de zilveren dwarsbalk te veranderen in een golvende van azuur, dit naar duidelijke verwijzing van hun afkomst, de Hoge Heerlijkheid Merwede aan de rivier Merwede naar wie zich de familie ooit had vernoemd.
Heer Matthijs wist bat alles ook en was een trotse en avontuurlijke jongeman met veel passie in zijn bloed. Passie en avontuur was iets dat in zijn familie niet onbekend was aangezien hij stamde uit een oud riddermatig, prefeodaal geslacht van hoge Adel, een geslacht van Heren, maar vooral van avonturiers met riddermatige trots. Wie Matthijs kende zou hem nimmermeer vergeten.
In zijn jonge jaren studeerde Heer Matthijs te Leiden en omstreeks zijn twintigste maakte hij Dordrecht onveilig als een fervente, beruchte, doch zeer romantische vrouwenversierder...... een die menig vrouwenhart brak en waar menige heer des huizen voor was behoed: " Vaders; sluit je dochters op, want daar komt Thijs van der Merwede !!! " klonk het iedere keer wanneer hij de stadspoort binnen reed.
Matthijs was lid van de befaamde Dordtse kunstenaarskring waar veel bekende geslachten deel van uitmaakten, zelfs vrouwen waren er lid van. Een van hen was Chatarina van Muylwijck een zijstam uit het geslacht van der Merwede en dus familie van Matthijs. Jacob Cats die toen ook in Dordrecht woonde droeg aan haar "Galathea of de harters clachte" op en ze was zeer bekend als dichteres en zangeres. Ook Margaretha van Godewijck was een zeer bekende vrouw die als schilderes veel bewondering wekte van haar tijdgenoten. Zij werd tevens geprezen om haar bedrevenheid in het graveren op glas, en om haar zang en klavecimbelspel. Ook correspondeerde ze zelfs wet geleerden als Barlaeus, Salmasius en Senguerdius.
Matthijs van der Merwede was ook regelmatig te gast op het landelijk gelegen slot Develstein te Zwijndrecht, waar eigenaar Heer Cornelis van Beverwijk die tevens Drost van Dordrecht was, hem samen met meerdere beoefenaars der schone kunsten, hartelijk ontving.
Zo kwam er ook rechtsgeleerde Mr. Adriaan van Nispen, Willem van Blijenberg, theoloog en filosoof, en ook een leerling van Rembrandt, Samuel van Hoogstraten.
Van Mr. van Nispen weten we ook dat hij destijds door Johan de Witt werd gevraagd Cornelis de Witt te verdedigen, vlak voor hun moord in 1672. In zijn jeugd stond hij bekend als vertaler, en werd ook geprezen om zijn minnedichten.
Onder de andere graag geziene gasten waren er ook vrouwen zoals Anna van Blokland. Anna was dik bevriend met Anna Roemer Visscher en Catharina van Muylwijk. Zij huwde Cornelis Boeij, een Zeeuwse dichter, vriend van Jacob Cats en Johan van Beverwijk, Van Beverwijk droeg aan haar in 1639 zijn uitvoerige prozawerk: " Van de uutnementheyt des vrouwelicken geslachts" op.
Chatarine en Wilhelmina Oem, die uitmuntten in kunsten en talen en bij uitstek bedreven
waren in het Latijn, waren eveneens van rijke Dordtse familie. Tot slot was er ook nog Maria Margaretha van Ackerlaeken, zij was de dochter van de schout van Dordrecht en genoot bekendheid als geslachtsrekenkundige en dichteres. Zij genoot zelfs jaargeld van de keurvorst van Brandenburg en diens gemalin Louise Henrietta van Oranje.
In het Dordt van de 17 eeuw werd zelfs " competentiestrijd " geleverd tussen de Dordtse
dichters en Vondel.
In die tijd bruiste het leven in Dordrecht als nooit tevoren, vrouwen waren er zoals blijkt, toen al geëmancipeerd; we kunnen er ons amper een voorstelling van maken! Mooi niet?
Maar hoe bout, dichterlijk en heetbloedig onze Matthijs ook was, hij kwam zichzelf tegen. Een Dordtse schone die "Amaril" heette stal zijn hart. Iemand waar hij zich met ziel en zaligheid aan verknochte voor wie hij zijn geld verbraste en zelfs bereid was om met haar te trouwen.. iets wat voor Matthijs als edelman, vrijgezel, kunstenaar en avonturier toch wel heel bijzonder was.
Alleen, Amaril was niet in Matthijs geïnteresseerd. Voor haar wilde Matthijs nochtans zijn eigen leven offeren, zelfs toen hij er mee dreigde zich om harentwille te verdoen lachte zij hem vierkant uit in zijn gezicht en verloofde zich met een ander! Hoe hard kon het leven zijn, zelfs voor Matthijs.
Matthijs had het niet weer. Alleen maakte, hij geen einde aan zijn leven,ie weet maar nooit, misschien bedenkt zij zich nog ooit.... "de droeve Hex", de "afgeslonsde teef", de "uitgemergelde prij", zoals hij haar in woedende gedichten heeft beschreven... en alsof dat niet genoeg was ging Matthijs ook nog weg uit zijn geliefde Dordrecht, bakermat van zijn voorouders. Matthijs moest Amaril uit zijn hoofd zetten en waar kon hij dat beter doen dan in Rome! Als rechtgeaard kunstenaar kon je daar heel goed terecht. Hij vetrok dan ook samen met zijn vrienden Nicolaas Heinsius en Adriaan van Bleyenburg naar Rome, waar hij onder andere Reyer Anslo leerde kennen. 'Eenmaal daar aangekomen hangt hij de beest uit en maakte hij kennis met de bent van Hollandsche schilders, door hem gekenschetst als "meest alle optreckers ..... maer meer met de kan als met de meyt.'
Hij trachtte die "kittebroers" wel van den drank at te brengen, doch alleen omdat hijzelf het liever met Tryntje dan met Wyntje hield; zijn eerbare zuster Vrouwe Emerentia houdt hem ondertussen per brief op de hoogte, of Amaril zich al betert; maar het tegendeel was het geval. Matthijs zijn dichterlijk talent — en dat is niet gering — moet hem helpen, zijn beledigde kwaaiigheid en zijn gistende zinnelijkheid ook op papier uitlaat te geven, niet zomaar voor eventjes, maar vier jaar lang!
Zijn vriend Heinsius scheidde zich spoedig van hem en vertoefde nu eens te Padua en dan te Veneti. Voor Matthijs was dat echter geen probleem want hij schreef hem vele dichterlijke brieven, waarin hij over "den staatkundigen en zedelijken toestand" van Italië uitweidt. In diezelfde dagen behoorde tot de talrijke Nederlandse papen, de altijd wel in de schaduw van de Heilige Stoel hebben rondgezwermd, een zekere pater Meurs van de St. Laurensparochie. Die trekt het zedelijk wangedrag van de Dordtse driftkop op z'n eigen ponteneur. De eerwaarde werpt zich op als aanklager van zijn landgenoot bij het gerecht in Rome waar bij wordt beschuldigd van "nonnenschenderij". En zowaar, hij vond gehoor. Maar als ze Matthijs gevangen komen nemen, is de vogel gevlogen.
Tijdig ingelicht was de schaamteloze rokkenjager ondergedoken, waar zelfs pater Meurs hem nooit zal zoeken: In het nonnenklooster van San Roc! In Holland waren ze de mening toegedaan dat hij zich had bekeerd en pater was geworden! Van 't Proces kwam verder niets terecht, want Matthijs werd uiteindelijk vrijgesproken.
In april 1649 viel hij in handen van negen Napolitaanse bandieten waar wist gelukkig door middel van een list, aan de dood te ontsnappen. Alsof dat nog niet genoeg was had Matthijs, om zijn ijdelheid te sieren, door een destijds beroemde beeldhouwer, Jan Gambas da Volterra genaamd, een in klei vervaardigde buste van hemzelf laten maken. Toen die klaar was en het beeld hem werd aangeboden was Matthijs de overtuiging toegedaan dat het beeld niet op hem leek en stuurde het schaamteloos en terstond terug aan de beeldhouwer, waarna, zo luidt de anekdote, Da Volterra zo kwaad werd dat hij binnen enige dagen stierf.
Langzamerhand werd het echter tijd om eens na te gaan of de Dordtse meisjes nog steeds zo aantrekkelijk zijn als de volksmond in Matthijs vlegeljaren terecht beweerde. Matthijs zat immers zwaar in de problemen want zijn leven was niet meer veilig, er was eerder een aanslag gepleegd op zijn leven doordat menig onteerde freule in Rome haar familie zoiets woest wraken, eer was in het geding.
Daarop pakte Matthijs zijn reiszakken klom te paard, trok op naar Dordrecht, waar familie, vrienden en kennissen in alle onschuld dachten dat Matthijs z'n wilde haren wel zo'n beetje kwijt was geraakt. Hun wachtte een maand of wat na zijn thuiskomst, een bijzondere verrassing. In zijn bagage bracht hij niet alleen vuile hemden, leuke kadootjes en Chiantiwijn mee, maar ook een halfmud poëtisch volgekladderd papier, grotendeels uit Rome, maar zelfs onderweg had hij 't niet kunnen laten: "Deze navolgende versjes sijn op het peerd gemaekt, in de bergen van Tirol &c, van Venetien na Auspurg komende!'
Onder; een van de verzen die Matthijs maakte op zijn tocht door de bergen:
Die naekte, verbejaerd ' en spitse rotsen/
Die met het steyl gebergt den hemel trotsen
Met menig sneeuw~vlok en gebroken waterval,
Zijn beelden van mijn hard, steur en steyl ongeval.
Haer ouderdom betekend, dat mijn jaren
Ook mettertijd mijn ongenught gaen garen,
Haer bloot’ onvruchtbaerheyd, mijn vrucht’loos minbericht,
Aen eyndelozen ramp door eygen wul verplicht,
Zijn niet haer waterloopjes mijn gedachten,
Gebroken met soo veel ontroerde nachten?
De sneeu en ’t steyl gebergt u trotsche koeligheyd?
Nog zou er niets aan de hand zijn geweest, als Matthijs zijn gedichten achterop de bovenste plank van de linnenkast had verstopt, om later af en toe nog eens stilletjes door te lezen. Maar nee, neen, hij wilde ze gedrukt zien. Nu waren ze van een aard, waar geen Dordtse drukker zich ooit zou aan bezondigen.
Voor zoiets moest je toen in Den Haag zijn. Daar verschenen dan ook in 1651 bij Isaac Burghoorn een bundeltje dat met name in Dordrecht veel stof zou doen opwaaien, en er heeft altijd veel stof gelegen in Dordt zodat ze daar al wat gewoon waren, alleen dit sloeg warempel alles.
Erotomaan Van der Merwede trekt de scheidslijnen immers niet zo strak; hij gaat makkelijk over van het ene meisje op het andere, van liefde op seks en van verbloemd op onverbloemd taalgebruik. De inleidingen bij zijn gedichten zeggen voldoende om ze voor de lezer maar al te begrijpelijk te maken, maar laten tevens genoeg te ontdekken over. Dat geldt overigens ook voor de woordverklaringen, die zeer subtiel zijn.
Hieronder een versje uit een van Matthijs zijn befaamde gedichten;
waar 't meisje placht een slaatje te verlezen {sla schoon te maken}
met ongeveinsd gelonk en zachten kindeklap {kinderpraat}
dat 't broertje mij zo vaak deed springen uit de kap {voorhuid}
en waar zij hare rokjes uit ging schieten,
als ik stond ree {klaar} om 't zeiltje te begieten.
Het titelblad van Heer Matthijs zijn destijds beruchte boek luidde: " Uytheemsen oorlog, ofte Roomse Minne Triomfen van M.vM., Hr. Van Cl, voorgevallen en beschreven in 't jaar 1647, 48,49 en 50."
Letterkundige fijnproevers valt het op dat hier een onbekende waar begaafde dichter bezig is die zijn onderwerp, de seks, ongehoord vrijmoedig aandurft. Anderen, en dat zijn er allicht veel meer, krijgen bij het lezen ervan, alleen maar rode oren, of het nu is van schaamte, van stiekem genot of van verontwaardiging over deze onbewimpelde verwoording van zinnelijke lusten ...
Uitgever Burghoorn moet er hoe dan ook een zoet stuiverke aan over hebben gehouden!! Het boek werd dan ook wettelijk "verboden" om zijn onbeschaamd sensualisme en op de verkoop ervan stond maar liefst vijfentwintig gulden boete, een voor die tijd kolossaal bedrag.
In Dordrecht is Matthijs van der Merwede voor niemand onbekend en de familie durfde zich met meer in het openbaar te vertonen want men sprak er "schande" van. Amaril trouwens ook niet, maar dat is het enige, en dan nog schrale, behagen dat Matthijs, voorlopig beleeft aan de publicatie. Hevig geschrokken ging dit toch wel even zijn verwachtingen te buiten en overzag aldus de consequentie van zijn handelen.
Daarop krijgt hij al snel berouw en koopt zoveel mogelijk van zijn bundels terug, om te beginnen de hele voorraad van Spillebout zelf en ook alle voor hem nog te achterhalen verkochte exemplaren. Dagenlang rookte zijn schoorsteen van het succesvolle debuut. Gelukkig voor ons heeft hij niet alle exemplaren weten te op te speuren en kunnen wij ons ook op heden nog verdiepen in zijn bewonderingwaardige werk.
Bij dit vertoon van goede wil liet Matthijs het niet. Niet lang baarna betert hij zich. In Den Haag sluit hij een eerzame echtverbintenis wet Debora Spronssen, vestigt zich eerzaam te Dordrecht, wordt huisvader en toont berouw over zijn "Roomse Mintriomfen" door de uitgave van een bundel Geestelyke Minne-Vlammen die in 1653, weer bij Burghoorn, het licht zag. Ditmaal staat zijn naam: Jonker M. van der Merwede, Heere van Clootwijk voluit op het titelblad. Geestelijke Minnevlammen is een religieuze poëzie met een aantal psalmberijmingen erbij, want ook de Bijbel kende Matthijs als rechtgeaard Heer en Synodaal Dordtenaar heel goed.
Zijn psalmberijmingen oogstten grote lof en alom goedkeuren was er voor zijn boetpsalmen waarbij het verdwaalde schaap weer braaf met de kudde mee graasde. 'n Klein beetje jammer vond men het, dat Matthijs als religieuze poëet toch weer zo nodig het hooglied tot in de nuances moest uitwerken; waar je in de statenvertaling nog best vluchtig overheen kon lezen, daar ontkwam je in van der Merwede's bewerking niet aan: Het hooglied is een meeslepende, bijwijlen zwoele lofzang op de liefde in al haar facetten. Maar goed, bijbels blijft het, en de dichter heeft zich eerlijk gehouden aan wat er in het Hebreeuws ook staat, dat moesten niet alleen de dominees erkennen...
Desalniettemin had volgens Matthijs het ongeluk hem op een of andere wijze getroffen; immers in de Opdracht aan Jonkheer Pieter van Peene spreekt hij over "den ramp ende tegenspoed, my van den Hemel toegepast, door een die 'k in mijn ziele beklaeg." Doch hoe het ook zij, hij voelt zich nu bekeerd, verlost uit:
"Het verkens-kot van Circ en met berou benert,
Daer daer uyt onsen val ons beyl gebrouwen wert.”
Zijne vrienden Boye, Bruno, Graswinckel en anderen verheugden zich over zijn zedelijke verbetering en Matthijs werd weer alom berucht gerespecteerd. Zijn nieuwe bunbel toonde inderdaad een zeker streven naar vroomheid in het berijmen van het Hooglied en de Zeven Boetpsalmen, waarmee hij zoals hierboven aangegeven grote lof oogstte.
De vos, helaas, kan z'n haren verliezen, maar niet zijn streken. Net heeft Dordrecht zichzelf weer ingeprent, dat een Van der Merwede een fatsoenlijk burger van een gereformeerde stad is, zelfs als hij Matthijs heet.....en wat doet dat stuk essetee? Hij gaat naar Amsterdam bij Lodewijk Spillebout, "Boeckvercooper op den Dam ", en laat er die Amsterdamse porno-uitgever een tweede druk maken van de "Roomse Minnetriomfen ".
Opnieuw werd het een best-seller. De stad Dordrecht en omstreken alsook heel domineesland knerste de tanden. Er stond zelfs nog meer ergs in dan bij de eerste druk. Toegevoegd is o.a een gedicht "Op de dood van N. van der Straten, Neerlands Koopman tot Livorno, in den schoot van syn lief dood gebleven'........
Hoe het met Amaril is afgelopen weten we niet, maar Matthijs huwde in 1657 met Deborah Spronsen, in Den Haag en hing er de brave huisvader uit. Hij was ook lid van de "Broederschap der Romeinen", een sociëteit van mensen die Rome had bezocht en waar ook Van Hoogstraten lid van was. Ook heeft Matthijs de oorspronkelijke kleuren van zijn familiewapen, een veld van keel, beladen met een faas van zilver, vergezeld van 15 gouden bisanten, wederom opgenomen. Matthijs kende de geschiedenis van zijn voorgeslacht en was daar trots op.
Helaas eindigde zijn leven net zo onverwacht als zijn romantische escapades. Hij trad in dienst van het VOC als fiscaal en vestigde zich samen met zijn gezin op Batavia ver weg van de gereformeerde moraalridders. In 1663 vertrok hij van daar met een oorlogsvloot naar China en Formosa. Eerder was de V.O.C daar in 1662. door de Chinees-Japanse zeerover "Coxinga" van het eiland verdreven, waarmee er een belangrijke kolonisatie van 32 jaar teloor ging.
Geluk en nieuw fortuin waren echter niet weggelegd voor Matthijs want tijdens de onfortuinlijk terugreis van de vloot naar Java, stierf hij onverwacht, op het eiland Pulau Kandor, ergens voor de zuidkust van Vietnam. Dit gebeurde als gevolg van ziekte, anderzijds ook door een deels opgeleefd leven en het grote liefdesverdriet waaronder hij gebukt ging. Hij is er begraven op 3 maart 1664.
In de geschiedkundige annalen is er sprake dat zijn zuster Emerentia zozeer was aangedaan door zijn onverwachte dood en het feit dat hij lag begraven op een onchristelijk eiland, dat zij later zijn lichaam heeft laten opgraven om het vervolgens te laten overbrengen naar Holland. Daar zou hij zijn herbegraven in de kerk van Geertruidenberg. Hoewel in die tijd ook veel mogelijk was, zelfs het onmogelijke, verwijzen wij dit verhaal naar het rijk der fabelen.
Bij zijn vrouw Deborah liet hij twee edele kinderen na, Johan Jacob en Daniël van der Merwede. De eerste had hij genoemd naar zijn vader en de laatste naar de aloude dynastie in zijn familie van wie de oudste leenopvolgers van de Hoge Heerlijkheid Merwede, allen ooit Daniël heetten. Wat er verder van Vrouwe Deborah en haar kinderen is terechtgekomen weten we niet, maar we hopen dat ook in deze tijd Matthijs zijn nazaten nog ergens leven in wel en wee, pais en vree; zij in tegenstelling tot Matthijs wel het geluk in de Liefde hebben gevonden en een levende getuigenis mogen zijn van hun roemrijke voorgeslacht.
Op den Tiber en de Dong
De droeve Tiber zag mijn alderklaarste dagen
Spijt mijnes tegenspoeds verwerde dwerrelwinden,
Daar mij de klare Dong ging droeve buien vinden,
Daar 't heele Merweland nog wil een dag van wagen.
De Tiber zag mijn leste, beste minnevlagen,
De Dong zag d’ eerste zon, die mijne ziel verblindde,
D’ een breekt; mijn minneknoop en d’ ander gaat mij binden,
D' een gaat mijn naam en eer, d' ander mijn ziel ontdragen.
En schoon de zoete Dong in Merwens zoete stroomen
Haar korte naam en loop, maar niet haar zoet gaat enden,
Is ‘t allerbitterst gift uit zijn gebergt gekomen;
Maar schoon des Tibers droevig zoet in 't brak belenden,
En ik een vreemdling was in ‘t lang vervreemde Romen,
'k Vond daar mijn naaste bloed bij die mij niet en kenden.
Matthijs van der Merwede